God is kennis  

EVANGELISCHE ZENDING BEM DO BRASIL
Roterende Bijbelstudie

Bijbelstudie van Nehemia

Knop Nehemia 11 Knop Nehemia 22 Knop Nehemia 33 Knop Nehemia 44 Knop Nehemia 55 Knop Nehemia 66 Knop Nehemia 77 Knop Nehemia 88 Knop Nehemia 99 Knop Nehemia 1010 Knop Nehemia 1111 Knop Nehemia 1212 Knop Nehemia 1313

Knop DiscipelschapDiscipelschapKnop LauwheidLauwheidKnop OpdrachtOpdrachtKnop BouwenBouwen
Knop MoeilijkhedenMoeilijkhedenKnop 7 Lessen7 LessenKnop Bijbel LezenBijbel LezenKnop Beeld van JezusBeeld van Jezus

Discipelschap

Wat betekent dit?

Discipelschap is het volgen zoals de discipelen de Here Jezus volgden toen Hij op aarde was. Zo ook dient de gelovige de opgestane Here Jezus Christus te volgen. De Bijbelstudie van Nehemia is een studie van geloof. Wij dienen dit in vier stappen te doen:

  1. Werking Heilige Geest
  2. Berekenen van de kosten
  3. Een nieuwe toewijding
  4. Zekerheid van vergeving

1. Mijn lichaam is een tempel van de Heilige Geest

HuisZolder : GeestDenken
Slaapkamer : LichaamHeilig
Keuken
Woonkamer
 : Ziel
 : Ziel
Eten
Kleding: netjes en verzorgd
Kelder : LichaamSeksleven, oude leven

De Heilige Geest laten werken in je geest, ziel en lichaam. En niet nalaten of tegenwerken op één of meerdere gebieden, maar de Heilige Geest de vrijheid geven op alle gebieden om je te vormen.

Voorbeeld

Jack en Sylvia hebben een huis gekocht. Zij hebben plannen om het huis in te richten. Voor het huwelijk weten zij dat de oude bewoner er nog in woont, maar weldra zal overlijden. Maar na de trouwdag krijgen zij te horen dat de oude bewoner er nog in woont. De plannen blijven bestaan. Na 3-5 jaar woont de oude bewoner er nog in. De plannen beginnen nu te vervagen.

Les

Zo is het ook met de werking van de Heilige Geest. We nemen Jezus Christus aan, Die ons gekocht heeft met Zijn bloed. En wij worden de tempel (woning) van de Heilige Geest. Maar nu komt het er op aan: Laten we het oude-ik zijn gang gaan (het oude leven) of laten wij de nieuwe bewoner, de Heilige Geest, in ons werken ?

2. Berekenen van de Kosten

Lucas 14:25-35

Vele scharen reisden met Hem mede, en Zich omkerende zei Hij tot hen: Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn. Want wie van u, die een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neder om de kosten te berekenen, of hij het werk zal kunnen volbrengen? Anders zouden, als hij de fundering gemaakt had, en het werk niet kon voltooien, allen, die het zagen, beginnen hem te bespotten, zeggende: Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet voltooien. Of, welke koning, die tegen een andere koningwil optrekken om met hem tot een treffen te komen, zet zich niet eerst neder om te beraadslagen, of hij in staat is met tienduizend man iemand te ontmoeten, die met twintigduizend tegen hem optrekt? En zo niet, dan zendt hij, als de ander nog veraf is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden. Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn. Het zout is wel goed, maar wanneer zelfs het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden? Noch voor het land, noch voor de mesthoop is het geschikt: men werpt het weg. Wie oren heeft om te horen, die hore!

3. Een (nieuwe) toewijding

Johannes de Doper: Als prediker van het evangelie van God.

Elia: Als de wonderdoener door middel van gebed, genezer van zieken

De Here Jezus Christus had de ware toewijding:

Volkomen overgave aan Gods Wil
Genas de zieken (en de zieke van hart: de zondaar)
Volkomen bereidt tot in de dood aan het Kruis van Golgotha

De gelovige:

overgave van de eigen-ik aan de Heilige Geest
overgave van de heerschappij vrije eigen wil aan God
overgave van jouw verantwoording aan de Here Jezus Christus en Hem laten zorgen voor jou, je door Hem laten begeleiden bij alle taken, die Hij je opdraagt.

4. Zekerheid van vergeving

Zekerheid van de vergeving der zonde: Matt. 11:28-30; Fil. 3:14 en 1 Joh. 1:9. Ondanks dat we keer op keer struikelen en zondigen, hebben we in Jezus Christus de zekerheid van vergeving der zonde, indien wij die belijden.

Wat betekent Lucas 14:25-35?

Lucas 14:25-35: De Here Jezus trekt niet aan, maar stoot af.
Discipelschap heeft te maken met je 100% toe te vertrouwen aan de Here Jezus Christus en de Heilige Geest de volledige vrijheid te geven om in je te laten werken. Waarom vraagt de Here 100% ?

  1. Hij heeft Zichzelf voor 100% gegeven tot aan de dood aan het Kruis van Golgotha
  2. Als je jezelf niet voor 100% geeft, is het een rem op je geestelijk leven. Je ervaart constant een rem op je werk, doordat de Here iedere keer een "neen" tegen jouw eigen werk zegt.

Discipelschap heeft alles te maken met het volledig opofferen voor de dienst van de Here Jezus Christus.
Haten: is jezelf op de tweede plaats stellen en de Here Jezus Christus op de eerste plaats zetten.
Loslaten voor Jezus, betekent de zekerheid van door de Here Jezus vastgehouden te worden.

Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neem mijn juk (kruis) op en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zal rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en Mijn last is licht (Matt. 11:28-30).

Waarom heeft de Here Jezus Christus je (tijdelijk) een kruis (zwakheid, ziekte, last, handicap, lijden) gegeven ?
Om anderen, die in het leven een kruis dragen, beter te kunnen begrijpen.

Er zijn vele mensen, die dat kruis niet willen dragen. Kruis dragen heeft te maken met sterven. Wie niet bereid is te sterven (aan zijn / haar eigen-ik), kan geen discipel van Jezus zijn (Hebr. 4:12-13 Want het woord Gods is levend, krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het van een scheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schrift over leggingen en gedachtes des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en bloot voor de ogen van Hem, voor Wie wij rekenschap hebben af te leggen).

Het zielenleven heeft te maken met het gevoelsleven. Het gevoel is het dat zegt, dat je het niet aan kunt. Het zwaard van God scheidt ziel en geest. Wij mogen niet afgaan op het gevoel, maar voldoen aan Gods bevel.

Gewrichten en merg kunnen medisch gezien niet gescheiden worden, tenzij men sterft. De discipel dient te sterven aan zijn oude natuur (eigen-ik). Discipelschap is een groeiproces in je leven. Je kunt niet in één keer sterven aan je totale eigen-ik, dat zou teveel gevraagd zijn. Als je jezelf overgeeft aan de werking van de Heilige Geest, zal je stap voor stap aan je eigen-ik sterven, en laat de Geest je zien waaraan je dient te sterven. En doet dat niet in eigen kracht, maar door de vrucht en kracht van de Geests werking.
Als je het kruis opneemt en bereid bent dat kruis te dragen (wat God jou op dat ogenblik oplegt), zul je daarna dat kruis niet meer voelen, omdat er een enorme zegen achterligt. Soms kan dat kruis verschrikkelijk zwaar zijn, zodat je denkt te zullen bezwijken, vraag de Heilige Geest je dan de woorden te geven om tot God in alle heiligheid en eerbied te bidden, en zeg eerlijk tegen de Here God de Vader en Jezus Christus dat je het kruis niet meer kunt dragen (en waarom). Vaak zal de Here God het kruis bij je laten, wat Hij gaat met je mee, en je dient er doorheen te gaan, want anders kan de Here je niet gebruiken en vormen. In een enkel geval, zal Hij naar je luisteren, en het kruis (tijdelijk) wegnemen.
Ja, discipelschap betekent (soms) kruis dragen.

De Here Jezus zegt "Kom achter Mij": Niet vooruit lopen, maar achter de Here Jezus Christus aanlopen, en ook niet er naast lopen.
Soms wil de gelovige vooruit, haast maken. Echter God heeft een tijdsplan met jouw leven. Soms wil de gelovige teveel, is hij / zij nog niet gereed voor de taak of kruis, die God hem / haar gaat opleggen. Geduld is een schone zaak. Soms dient God eerst nog ander voorbereidend werk te doen (bij andere gelovige, ongelovige, autoriteiten), dus wacht op Gods tijdstip!
Achter Hem aan is ook veel gemakkelijker !!! Bij vooruit lopen moet je telkens weer vragen welke kant je uit moet gaan en moet je steeds stil staan totdat de Here Jezus weer bij je is. Het gevolg is ongeduld, twijfels, onzekerheid en vraagtekens !

Volgen: Je kunt alleen maar volgen als je achter iemand loopt.

Afstand doen van alles:
Is het ontvangen van alle dingen van God, die dan gereinigd en geheiligd zijn. God geeft alles wat nodig is voor Zijn werk en jouw bekwaamheden voor Zijn dienst.
Je ontvangt nooit als je vooruit loopt, je ontvangt alleen als je achter Hem loopt ! Wie de Here Jezus Christus volgt, komt op de plaats waar de Heer je wil hebben. Wie voor Jezus loopt, komt niet op de plaats waar de Heer je wil hebben (want je bent te vroeg verkeerd rechts af of links af geslagen).

Mattheüs 10

En Hij riep zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. En dit zijn de namen van de twaalf apostelen: vooreerst Simon, genaamd Petrus, en Andreas, zijn broeder; en Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder; Filippus en Bartolomeus; Tomas en Matteus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus en Taddeus; Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet. Voorziet u niet van goud of zilver of koper in uw gordels, van geen reiszak voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf, want de arbeider is zijn voedsel waard. Welke stad of welk dorp u ook binnenkomt, onderzoekt wie het daarin waard is, en blijft daar tot uw vertrek. Als u het huis binnentreedt, geeft het de vrede groet; en indien het huis het waard is, zo kome uw vrede daarover; doch indien niet, zo kere uw vrede tot u terug. En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten af. Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor die stad. Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven. Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; u zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volken. Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; want u bent het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. En u zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zalbehouden worden. Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, u zult niet alle steden van Israël zijn rondgekomen, voordat de Zoon des mensen komt. Een discipel staat niet boven zijn meester, of een slaaf boven zijn heer. Het is genoeg voor de discipel te worden als zijn meester, en voor de slaaf als zijn heer. Indien men aan de heer des huizes de naam Beëlzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huisgenoten! Vreest hen dan niet, want er is niets bedekt, of het zal geopenbaard worden en verborgen, of het zal bekend worden. Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken. En wees niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet een daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld. Wees dan niet bevreesd: u gaat vele mussen te boven. Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is. Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden. Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. Wie een profeet ontvangt als profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt als rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen. En wie een van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar, Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan.

Wat betekent dit?

Gods Plan met discipelen is volmaakt.
Het is geweldig belangrijk om Gods instructies te vernemen, welke Hij voor jou heeft om tot Zijn Plan met jouw leven te komen.

Vers 5:
De Here Jezus geeft zeer nauwkeurig het gebied aan waar gewerkt moet worden. God bepaalt voor jou, waar Hij wil dat je gaat werken. Je kunt dus NIET zelf een werkgebied uitkiezen. God geeft je alleen kracht in het gebied waar Hij wil dat je werkt, nooit daarbuiten. Zekerheid van je bestemming heb je, als je daaraan gehoorzaamt.
God geeft je een gebied. Je wordt overspannen als je buiten dat gebied gaat werken, en bovendien is het ongezegende arbeid en zonder vruchten. Niemand zal buiten jou werkterrein tot bekering komen.

Vers 9
God rust ons toe voor de taak, die wij als discipelen moeten verrichten. God zegt dat wij niets mogen meenemen om juist dan grotere dingen te kunnen verrichten (geen eigen-ik, eigenkunne, maar in de kracht van de Heilige Geest). Zie Handelingen 3:1-10, geen aalmoes ... maar genezing.
Dank God voor de beperktheid in je gaven. Als je geen kinderwerk kan doen, dan kan een ander dat werk doen en jij je toewijden aan het werk wat God van jou vraagt. Wij (gelovigen) zijn allemaal leden van het lichaam van Christus Jezus (1 Cor. 12: 12-30), elke gelovige heeft zijn/haar eigen taak en opdracht binnen het lichaam van Christus Jezus.
In 2 Cor. 12:9 zegt de Here: Mijn genade is genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. God geeft je geen kracht, opdat Hij dan ten volle in jou kan werken. Maak je dus nooit zorgen over je eigen geringe toerusting voor je taak. God zorgt voor alle dingen, geestelijke uitrusting (door de kracht en wijsheid van de Heilige Geest, Die in je woont), de financiële middelen en voeding.

Vers 11-15
Gods werk gaat volgens Gods methode. Gods methode is niet voor iedereen gelijk. God wijst niet alleen het gebied aan, maar ook jouw werkmethode. Elke discipel krijgt een andere werkmethode. Wees daarom nooit jaloers op je broeder of zuster (hun gaven), jij hebt jouw eigen gaven). Wees niet kritisch, maar vraag juist de zegen op hun en jouw werk.
Leer de methode uit Gods Woord, de Bijbel, hoe Jezus Zijn discipelen instructies gaf en wat het beste bij jou aansluit. Bid voor wijsheid en vraag aan de Here om Zijn Wil en jouw gaven te openbaren.
Een bestuur of kerkenraad behoort achter de persoon te staan, die geroepen zijn. Het bestuur of kerkenraad mag nooit de geroepene tegenwerken of zeggen hoe hij/zij zijn/haar werk dient te verrichten. God rust toe en gebruikt een iedere op Zijn wijze en kunnen. De gemeente, bestuur en kerkenraad dient alleen te corrigeren, op te bouwen en biddend achter de roepene te staan. Bid ook voor je eigen werk en vervulling met de Heilige Geest.

Vers 16-21
In het werk wijst Hij je op de gevaren. In het werk behoef je niet bang te zijn voor gevaren, want God wijst je de gevaren aan (MITS het je opdracht van God is. God zal je niet beschermen als je buiten je werkgebied treedt en je niet in Zijn kracht gaat.
Soms krijg je een geweldige gebedslast voor jezelf en je mede broeders en zusters en ongelovigen. Schuw dit niet, en neem (de uren) de tijd om te bidden. De Here God geef je die last (en uren in gebed) niet voor niets. De Here God wenst aanbeden te worden, en in gebed kan Hij je de dingen en taken duidelijk maken, neem de tijd om naar Hem te luisteren, zodat Hij je de weg kan laten zien.

Schaap: beeld van zwakheid, die uit zichzelf niets kan doen.

Argeloos: voorzichtig zijn, gehoorzaam zijn, waakzaam zijn.

God zegt niet dat wij niet van de handen van ongelovigen gevrijwaard blijven, gevangenis en geselingen zijn mogelijk. Maar de ongelovigen kunnen slechts het aardse lichaam doden, niet de ziel van de gelovige. De gelovige ontvangt immers bij de Wederkomst van Christus een onvergankelijk lichaam. De gelovige zal na zijn/haar dood in de hemel mogen vertoeven. De ongelovige kan slechts het aardse raken, niet het hemelse teniet doen.

Vers 18
Wees niet bezorgd om getuigenis van Jezus Christus te geven (mits voorbereid in gebed).

Vers 19-24
De Vader zorgt voor ons. Zelfs in de meest benarde situaties.

Vers 24-28
Deze verzen klinken ons niet aangenaam in de oren, maar ontkomen doen wij er niet aan. Laten wij ons daarom verblijden over de zegen, die erin ligt. Want Hij heeft het alles reeds doorstaan en Hij is getrouw gebleven tot de dood. Daarom kan Hij met ons meeleven en ons begrijpen (Hebr. 4:14-16).

Vers 28-42
Het loon van onze doorzetting en volharding.

De zending van God bestaat uit dat:

  • God verheerlijkt wordt
  • De Gemeente van Jezus Christus opgebouwd wordt (de gelovigen in kennis en Gods Woord groeien, volkomen overgave aan de Heilige Geest)
  • Het Koninkrijk Gods wordt uitgebreid en zielen behouden worden.

God wordt verheerlijkt door:

  • Joh. 15:9-10 Gehoorzaamheid bewerkt de liefde (Liefde zie 1 Cor. 13)
  • Joh. 15:16, 19 Blijven in Christus Jezus
  • Joh. 17:11 Eénheid tussen de Here God en jou, jou en je naasten
  • Joh. 3:7 Rechtvaardig te blijven
  • 1 Joh. 4:17 Vrijmoedigheid
  • Hebr. 12 Oog richten op God, zekerheid van gebedsverhoring.

Terug naar topTerug naar boven


Lauwheid

Lauwe en slapendeHelaas zijn er vele lauwe en slapende christenen, en dit bedroeft de Here God. Immers de Here Jezus Christus heeft Zijn leven gegeven voor de christen en de Here God wil niet dat er iemand verloren gaat doch dat allen op aarde het eeuwige leven in Jezus Christus krijgen. Echter Hij heeft hiervoor vele gelovigen, christenen, voor nodig die het evangelie verkondigen en die het werk bekostigen.

Wat zijn enkele oorzaken dat christenen slapen en lauw zijn ?

  1. Men leest niet dagelijks de Bijbel (zie Bijbel lezen). De gelovig bidt niet voordat hij/zij de Bijbel begint te lezen om vervulling met de Heilige Geest en de Geest de gelovige laat begrijpen wat in de Bijbel staat. Het gevolg is men snapt het niet, en men verliest de interesse. Met als gevolg dat de Bijbel kennis ontbreekt om het christelijke geloof uit te dragen.
  2. Geen dagelijks gebed. Rom. 8:27; Hebr. 13:15-16; Jesaja 59:16 en 1 Sam. 12:23.
  3. Men zet zich niet in voor de dienst des Heren (Hebr. 12:15-16, Rom. 15:26-27.
  4. Men gaat zo op in zijn / haar teleurstellingen, eigen verdriet, tegenslagen, dat men daardoor opgehouden is met het Bijbel lezen, gebed en evangelisatie. Fil. 3:14.
  5. De lofprijzing en dankzegging is opgehouden Efeze 5:20; Fil. 4:4 en 2 Thess. 2:13.
  6. Men heeft onbeleden zonde. 1 Joh. 1:9. Men blijft hierin volharden, met als gevolg dat men de werking van de Heilige Geest uitdooft 1 Thess. 5:16-19.
  7. Men heeft geen gemeenschap met medegelovigen Hebr. 10:25.
  8. Er is liefdeloosheid tegenover de naaste en de Here God.

Voor al deze 8 bent u zelf verantwoordelijk. Het veel gehoorde excuus is: "Ja, maar ik heb geen tijd". Is dit werkelijk een aanvaardbaar excuus voor de Here God? Hoe zou u het vinden als God tegen u zei: "Ik heb nu geen tijd." Is de Here God voor u alleen maar goed genoeg als u in (grote) nood verkeert, en dan moet God maar ineens klaar voor u staan? Zo werkt dat toch niet?

Hoeveel tijd en geld heeft de Here God niet aan u besteed om u uit de verlorenheid te halen, en tot geloof in de Here Jezus Christus te brengen ?
Ja, ook geld. Wie betaalt immers al die vele arbeiders en voorgangers, hun salarissen en benodigde evangelisatie materiaal ?
De Here God laat u en ons allemaal gebruik maken van de grondstoffen en opbrengsten van Zijn eigendom: de aarde.
De mens is slechts rentmeester. De mens mag graan en tarwe oogsten. Maar zonder regen, ook geen oogst, maar droogte en honger.
Zo bent u als gelovige rentmeester over uw tijd en lichaam. U staat in Zijn dienst. De Here Jezus heeft met Zijn bloed en Zijn dood u vrijgekocht uit de macht van satan. Hij heeft u het eeuwige leven en het hemelse burgerschap geschonken (Fil. 3:20).
U heeft vrijwillig de Here Jezus aangenomen als uw Verlosser en deze stap gezet. Echter deze stap heeft ook consequenties.

De Here Jezus heeft in Zijn Woord, de Bijbel, vele geboden aan de gelovigen gegeven (die u in Zijn kracht en genade mag volbrengen). Uw dienst hier op aarde is slechts kort, 10-80 jaar? Dat staat in geen verhouding tot het rijke en eeuwige leven wat u in de hemel ontvangt. Was u niet tot geloof gekomen, dan wachtte u een eeuwige dood in de poel des vuurs.

Wat is Gods voornaamste gebod ? Dit lezen we in Johannes 13:34

Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar lief heeft; gelijk Ik u lief gehad heb, dat u ook elkaar lief heeft.

De Here Jezus had ons zo lief, dat Hij Zijn leven gaf. Zo dienen ook we elkaar lief te hebben. Liefhebben, dat wil zeggen alles voor de ander over te hebben, ook in daden ! De Here God wil, dat u Hem lief heeft met geheel uw hart, ziel en kracht ! Hij wil, dat u Hem dient.
Waarom zul je Hem niet dienen uit dankbaarheid? U bent immers uitverkoren tot het zoonschap Gods (Rom. 8:15). Welk een genade en voorrecht heeft God u hierin niet geschonken.

Zijn er nog meer redenen om bovengenoemde 8 geboden te doen?
Ja, leest u eens Lucas 14:14-24. Velen hadden geen tijd of een excuus. Toen werd de heer toornig. Hij verwierp de uitgenodigden en gaf de plaatsen aan anderen. Waarom zou jij je loon verspillen ? Je kunt nog vele zegeningen in de hemel verdienen:

  1. Indien wij volharden en trouw blijven, zullen wij met de Here Jezus Christus als koningen in het 1000-jarig Rijk heersen 2 Timótheüs 2:12.
  2. Indien wij met Hem lijden (1 Petrus 3:13-18 geduldig lijden), zullen wij de eeuwige heerlijkheid (iets anders dan zaligheid) ontvangen 2 Tim. 2:9-10.
  3. Indien wij de vrijmoedigheid en hoop tot het einde toe vasthouden, zullen wij in het huis van Christus (anders dan het huis Gods) komen. Hebr. 3:6; Fil. 3:1014.
  4. Indien wij ons geheel inzetten om een getuige van het Evangelie te zijn, zullen wij een onvergankelijke erekrans (kroon des roems) ontvangen. 1 Cor. 9:19-27.
  5. Indien wij het geloof tot het einde toe vasthouden, ontvangen wij de krans der rechtvaardigheid. 2 Tim. 4:7-8.
  6. Indien wij de verzoekingen goed doorstaan, zullen wij de krans des levens ontvangen. Openbaring 2:10 en 3:11; Jakobus 1:12.
  7. Indien wij de Here alle eer en dankzegging hebben gebracht, ontvangen wij de kroon. Openbaring 4:9-10.

Laten wij nimmer vergeten dat ons korte lijden (10-60 jaar?) hier op aarde niet opweegt tegen de eeuwige (biljoenen jaren) van heerlijkheid, vrede, rust en genot in de hemel.
God dient de eerste plaats in uw leven te hebben, vóór je vrouw / man, vóór je kinderen, vóór je hobby/werk. Zie Openbaring 2:4-5 en Lucas 14:26.

Laten wij de Heer eer en tijd geven, die Hem toekomt.

Wat u ook doet, verricht uw werk van harte, als voor den Here en niet voor mensen; u weet toch, dat u van den Here tot vergelding de erfenis zult ontvangen (Kol. 3:23).

Terug naar topTerug naar boven


Opdracht en Gebed Nehemia 1

De geschiedenis van Nehemia, de zoon van Chakalja. In de maand Kislew, in het twintigste jaar, toen ik in de burcht Susan was, kwam tot mij Chanani, een van mijn broeders, met enige mannen uit Juda. En ik vroeg hen naar de Joden, de ontkomenen, die uit de gevangenschap waren overgebleven en ook naar Jeruzalem. Zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die daar in het gewest uit de gevangenschap zijn overgebleven, verkeren in grote rampspoed en smaad, en de muur van Jeruzalem is afgebroken, en zijn poorten zijn met vuur verbrand. Zodra ik deze woorden hoorde, zette ik mij neder, weende en bedreef rouw, dagen lang. Ook vastte en bad ik voor het aangezicht van de God des hemels en zei: Ach, Here, God des hemels, grote en geduchte God, die het verbond en de goedertierenheid gestand doet jegens hen die U liefhebben en uw geboden onderhouden, laat toch uw oor opmerkzaam en uw ogen geopend zijn, om te horen naar het gebed van uw knecht, dat ik thans dag en nacht voor de Israëlieten, uw knechten, tot U opzend; en ik doe belijdenis van de zonden der Israëlieten,die wij tegen U bedreven hebben; ook ik en mijn familie, wij hebben gezondigd. Zwaar hebben wij tegen U misdreven; wij hebben niet onderhouden de geboden, inzettingen en verordeningen, die Gij aan uw knecht Mozes geboden had. Doch gedenk aan het woord, dat Gij aan uw knecht Mozes voorgehouden hebt: Pleegt gij trouwbreuk, dan zal Ik u onder de volken verstrooien. Maar, bekeert gij u tot Mij en onderhoudt gij naarstig mijn geboden, al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar vergaderen en hen brengen naar de plaats die Ik verkoren heb om daar mijn naam te doen wonen. Zij zijn toch uw knechten en uw volk, dat Gij verlost hebt door uw grote kracht en door uw sterke hand. Ach, Here, laat toch uw oor opmerkzaam zijn op het gebed van uw knecht en op het gebed van uw knechten, die een welgevallen hebben aan de vreze van uw naam, en doe uw knecht heden slagen en laat hem erbarming vinden bij deze man. Ik was namelijk schenker van de koning.

Wat betekent dit?

Nehemia, zijn geestelijk leven en zijn opdracht.

Nehemia werd bewogen, toen hij van de nood in Jeruzalem hoorde. Nehemia leefde in de burcht Susan. Hier was welvaart en bescherming. Toch zijn hart was bezig met de nood van zijn broeders, die uit de gevangenschap waren overgebleven in Jeruzalem. Zijn bewogenheid leidde hem tot gebed en daarna tot aktie.

De verschillende vormen van gebed:

  1. Het ernstige gebed. Nehemia begon te bidden in de maand Kisleu (december) en bad nog in de maand Nisan (Maart). Hij bad dus tenminste vier maanden. Dit was zijn basis voor zijn werk.

    Vele gebeden van ons worden nimmer verhoord, omdat wij niet bewogen zijn voor de zaak, waarvoor wij bidden.

    Nehemia bad ernstig. Hij ging zo op in het gebed, dat hij zelfs weende en rouw bedreef. Hij was zo bezig in het gebed, dat hij niet toekwam aan eten (vastte).
  2. Nehemia pleitte vooral op de genade van God. Hij werd niet verontwaardigd over de nood van de anderen.
  3. Het volhardende gebed. Thans dag en nacht aan U opzendt. Het gebed is niet alleen tijdens de stille uren. De zaak waarvoor men bewogen is, draagt men op zijn hart. Deze bepraat men constant met God, ook tijdens het werk en wanneer men rust. Hebr. 4:16: "Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd".
  4. Een deemoedig en belijdend gebed. Nehemia is zelf een correct man, waarop niets valt aan te merken. Hij was immers schenker van de koning. Toch doet hij belijdenis voor zijn gehele volk. Hij verenigt zichzelf met hen en doet voorbede: Zwaar hebben wij tegen U misdreven.
  5. Het Schriftuurlijk gebed. Nehemia ging pleiten op datgene, wat God Zelf heeft gezegd. Men moet aanvaarden en pleiten op Gods beloften. Je moet als het ware God gaan herinneren aan wat God heeft beloofd. Máár je moet natuurlijk wel voldoen aan de voorwaarde.
    De opwekking begint bij jezelf. Bid voor de reiniging in jouw leven, belijd je zonden. Nehemia beleed, hoewel er niets bij hemzelf is. Hij pleit op: Het is Uw zaak. Wij zijn Uw knechten. Wij zijn Uw volk. Het is Uw kracht, enzovoort.
  6. Nehemia was nooit treurig geweest in het gezelschap van de koning. Ons getuigenis mag de blijdschap des Heren uitstralen. De koning was goddeloos en de vijand van Israël. Nehemia bad tot God toen hij bij de koning was. Hier schoot hij een schietgebedje haastenlijk tot God. Hij bad voor zijn volk, maar ging tevens naar de koning om hulp te vragen. Vooral Nehemia's gebed leidde tot de praktische dienst.
    Vele mensen willen wel bidden voor anderen, maar zij gaan NIET over tot de praktische dienst.

    Bidden houdt ook in, dat wij praktische hulp bieden aan hen voor wie wij bidden. Dit kan zijn, door zelf te voorzien in het gevraagde, een ander te vragen, die in deze hulp kan voorzien, of middels financiële steun.

    Wees correct in het werk des Heren. Men moet gemaakte afspraken ook nakomen. Zorg ervoor dat je het vertrouwen van de mensen blijft behouden, vooral geldt dit bij ongelovigen (hier de gemaakte afspraak met de goddeloze koning).
    De vrijmoedigheid van Nehemia groeit. Hij vervolgt: "indien het den koning goeddunkt, ...."

    Men moet niet eigenwijs zijn, maar nederig en ootmoedig.
    Nehemia krijgt van de ongelovige koning alle benodigde materialen:

    • Brieven voor de landvoogden
    • Hout voor de poorten, muur van de stad en zijn huis
    • Legeroversten en ruiters voor bescherming

    De koning gaf ze, omdat de goede hand van God over Nehemia was.
    Waarom was de goede hand van God over hem?

    • Nehemia bad dag en nacht
    • Nehemia had bewogenheid voor de zaak
    • Nehemia was bereid zichzelf in te zetten voor de zaak.

Waarom is het dagelijkse gebed NOODZAKELIJK ?

  1. Wij hebben dagelijks alle reden om God te danken, omdat Hij Zijn Zoon gegeven heeft zodat wij elke seconde van de dag gemeenschap met God de Vader kunnen hebben. Wij mogen danken voor het lijden, sterven en opstanding van Zijn Zoon, de Here Jezus Christus.
    Wij mogen danken voor het rijkelijke en overvloedige eten en drinken dat wij dagelijks uit Zijn hand mogen ontvangen en wij niet geboren zijn in een land van armoede en honger en kou.
    Wij mogen danken voor onze gezondheid (en wij geen invalide zijn of aan chronische pijnen lijden).
    Wij mogen danken voor alle verhoorde gebeden. Voor het feit dat de Here God alle dingen laat meewerken ten goede voor degenen, die Hem lief hebben (Rom. 8:28). Voor het feit, dat God Zijn Zoon heeft verhoogd ter Rechterzijde, waar Hij nu als onze Hogepriester (Hebr. 4:15) voor de gelovigen bidt en pleit (Rom. 8:34).
    Wij mogen danken voor de inwoning van de Heilige Geest, die ons liefde, kracht en wijsheid schenkt. Voor de Heilige Geest, Die ons overtuigt van zonden, zodat wij door schuldbelijdenis in de gemeenschap met God kunnen blijven en vrucht dragen (Galaten 5:22).
  2. De voorbede is dagelijks noodzakelijk voor de arbeiders en arbeidsters in de dienst van de Here Jezus Christus. Waarom?
    1. De Bijbel beveelt het: Hebr. 13:7 Houdt uw voorgangers in gedachtenis.
    2. Zij hebben ten volle te strijden tegen de machten der duisternis en satan.
    3. Zij moeten steeds weer (het eigen-ik) afleggen, wat soms strijd en vooral zelf verloochening kost, om een beeld gelijkvormig aan de Here Jezus Christus en Zijn voorbeeld te worden.
      Men wint vaak zielen door het getuigenis in houding, dus doordat de ongelovigen een verandering in ons leven zien en een beeld van de Here Jezus Christus in ons zien.
    4. Zij moeten liefde schenken aan mensen, die hen bespotten en haten.
    5. Zij strijden tegen valse leringen, dwaalleringen, yoga, T.M., spiritisme, horoscopen, abortus, homoseksualiteit, enzovoort. Dit zijn aanvallen op de machten der duisternis en satan. Niet alleen ongelovigen vinden dit onprettig, maar zelfs de broeders en zusters in de Here vallen hen hierop aan, want God is immers Liefde, maar men vergeet wat God in Zijn Woord, de Bijbel heeft gezegd, en dat God Heilig is en geen zonde door de vingers ziet!
    6. Zij wijzen broeders en zusters op zonden. Zij moeten dit met veel liefde en als het kan met zachtmoedigheid doen, maar onverbiddelijk. Echter ook zij zijn slechts mensen en komen soms hard en koud over. Dus is de voorbede nodig dat de Heilige Geest overtuigt en liefde en inzicht aan de voorganger geeft.

    Zo zijn er nog zeer vele redenen om te noemen. Hiermee kan ik slechts een beeld geven van de indringende noodzaak van voorbede voor Gods dienstknechten en dienstmaagden.

  3. De voorbede is nodig voor de zwakke broeders en zusters, opdat zij bepaalde zonden mogen afleggen en overwinnen (Dronkenschap, verslaafd aan roken of drugs, liefdeloosheid, koel en kil, terugvallen in het oude aardse leven, enzovoort).

Wie was Nehemia ?

Nehemia was schenker van de koning, lezen we in het laatste vers. Dat is een eer, een Jood in ballingschap die schenker van de koning is. En wat een vertrouwen. Iemand die in deze positie makkelijk de koning kan vergiftigen, iemand die in principe haatdragend en vijandig tegenover de koning diende te staan want hij was weggevoerd uit zijn eigen land en verbannen naar een vreemd land. Nehemia's kennis van wijn diende ook groot te zijn, want van de zeer vele schenkers in het land en koninkrijk van de koning, was hem de gunst verleend om schenker van de koning te zijn. Hierin zien we reeds duidelijk dat Nehemia de tijd nam om onderzoek te plegen en een zeer nauwgezette studie te maken van datgene wat hem interesseerde. Wat zich uit in Nehemia 2, waar hij in staat is nauwkeurig zijn wensen aan de koning kenbaar te maken.

Nehemia vernam in de maand Kislew (november en december) van de nood in Jeruzalem, in de maand Nisan (Maart en April) (Nehemia 2) kwam hij met zijn wens bij de koning. Dat was dus tenminste 4 maanden van voorbereiding. Eerst onderzocht hij de nood in Jeruzalem, inventariseerde wat er nodig was, berekende het mogelijke verzet en dat de vijand zou kunnen aanvallen, en hoe hij zijn zaak aan de koning diende voor te leggen. Eerst berekende hij de kosten, alvorens zijn zaak aan de koning voor te leggen.
Gaan wij, als gelovigen, ook zo goed voorbereid tot onze Koning, de Here Jezus Christus ? Of komt iets in ons op, en zonder enige berekening, plan van aanpak leggen we het voor aan de Here en vragen we het onnadenkend?
Als iets (groots) op ons pad gebracht wordt, dienen we eerst rust te nemen, de kosten te bereken, de vijand in te schatten en een plan (van aanval) te maken. Als we dit alles (zeer) goed hebben voorbereid (in gebed) dat mogen we het ook aan de Here voorleggen en Hem Zijn toestemming te vragen en Zijn goedkeuring. Dan dienen we ook de vragen, die de Here God aan je stelt, te kunnen beantwoorden. Anders krijg je een onherroepelijk nee, bereik je niets en krijg je geen antwoord, geen zegen en mislukt jouw werk. Ben je goed voorbereid, dan zal de Here je verder begeleiden, dien je ook verder Zijn aanwijzingen te volgen, en mag je Gods zegen op je (geestelijke) arbeid verwachten, en Gods bescherming tegen satan en machten der duisternis, evenals bescherming tegen mensen, die jou kwaad willen doen, en mag je vrucht van je arbeid verwachten.

Terug naar topTerug naar boven


Bouwen Nehemia 2

Muren van Jeruzalem

In de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Artachsasta, toen er wijn voor hem gereed stond, hief ik de wijn op en reikte die de koning toe. Nu was ik nooit treurig geweest in zijn tegenwoordigheid. De koning zei tot mij: Waarom staat uw gezicht zo somber, hoewel u niet ziek bent? Dit kan niet anders dan hartzeer zijn. Toen werd ik ten zeerste bevreesd, en zei tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn gezicht niet somber staan, daar de stad, de plaats waar de graven mijner vaderen zijn, verwoest is en haar poorten door vuur verteerd zijn? En de koning zei tot mij: Wat is dan uw verzoek? Toen bad ik tot de God des hemels. En ik zei tot de koning: Dat u, indien het de koning goeddunkt en indien uw knecht u welgevallig is, mij zendt naar Juda, naar de stad waar de graven mijner vaderen zijn, om haar te herbouwen. De koning zei tot mij, terwijl zijn gemalin naast hem zat: Hoelang zal uw reis duren, en wanneer zult u terugkeren? En de koning stemde erin toe mij te zenden; en ik gaf hem een bepaalde tijd op. En ik zei tot de koning: Indien het de koning goeddunkt, laat men mij brieven geven voor de landvoogden van het gebied over de Rivier, dat zij mij laten doortrekken, totdat ik in Juda kom; ook een brief aan Asaf, de houtvester des konings, dat hij mij hout geve om de poorten van de burcht die bij de tempel behoort, van zolders te voorzien en voor de muur van de stad en voor het huis, waar ik mijn intrek nemen zal. En de koning gaf ze mij, daar de goede hand van mijn God over mij was. Ik kwam bij de landvoogden van het gebied over de Rivier en gaf hun de brieven van de koning. Ook had de koning legeroversten en ruiters met mij meegezonden. Toen de Choroniet Sanballat en de Ammonitische slaaf Tobia het hoorden, werden zij er zeer hevig over ontstemd, dat er iemand gekomen was om het goede voor de Israëlieten te zoeken. Zo kwam ik teJeruzalem; toen ik daar drie dagen was, trok ik er in de nacht met enkele mannen op uit. Nu had ik aan geen mens verteld, wat mijn God mij in het hart gegeven had om voor Jeruzalem te doen. Ook had ik geen ander dier bij mij dan dat, waarop ik reed. Ik trok des nachts uit door de Dalpoort, in de richting van de Slangebron en naar de Aspoort en ik stelde een onderzoek in naar de muren van Jeruzalem, die afgebroken waren, en naar zijn poorten, die door vuur verteerd waren. En ik trok door naar de Bronpoort en naar de Koningsvijver, doch daar was geen ruimte meer voor het dier, waarop ik reed, om voort te gaan. Daarom klom ik in de nacht door het dal naar boven, en stelde een onderzoek in naar de muur. Daarop ging ik weer door de Dalpoort en zo keerde ik terug. De leiders nu wisten niet, waarheen ik gegaan was en wat ik gedaan had; want aan de Joden, de priesters, de edelen, de leiders en de overige beambten, had ik het tot nog toe niet verteld. Toen zei ik tot hen: U ziet de rampspoed, waarin wij verkeren, dat Jeruzalem verwoest is en zijn poorten met vuur verbrand zijn. Komt, laat ons de muur van Jeruzalem herbouwen, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn. Toen ik hun meedeelde, dat de hand mijns Gods goed over mij geweest was, eveneens, hoe de koning tot mij gesproken had, zeiden zij: Wij zullen ons tot de herbouw gereedmaken. En met krachtige hand vatten zij het goede werk aan. Toen de Choroniet Sanballat en de Ammonitische slaaf Tobia en de Arabier Gesem het hoorden, bespotten en verachtten zij ons en zeiden: Wat doet u daar? Komt u tegen de koning in opstand? Maar ik diende hen van antwoord en zei tot hen: De God des hemels, Hij zal het ons doen gelukken, en wij, zijn knechten, zullen ons gereedmaken en bouwen; u echter hebt deel noch recht noch gedachtenis in Jeruzalem.

Wat betekent dit?

Nehemia verzoek aan de koning

Nehemia was met zijn aandacht bij zijn volk in Jeruzalem en dit maakte hem zeer bedroefd. Bedroefdheid mocht niet in aanwezigheid van de koning. Daarom valt het de koning op en vraagt hij: Waarom staat uw gezicht somber, terwijl u niet ziek bent? Terecht wordt Nehemia bevreesd, omdat bedroefd zijn in aanwezigheid van de koning niet mocht. Nehemia bidt snel tot de Here God. En nu blijkt hoe goed Nehemia zijn zaak had voorbereid (tenminste 4 maanden van voorbereiding maand Kislew (Nehemia 1:1 november/december tot maand Nisan (Nehemia 2:1 maart/april)), want hij is in staat de vragen van de koning te beantwoorden. Let ook op Nehemia's nederigheid: "Indien het de koning goeddunkt". Nehemia vervolgt met zijn plan en zijn argumentatie: "Zend mij naar Juda, naar de stad waar de graven mijner vaderen zijn, om haar te herbouwen".

Nehemia had zijn zaak voorbereid, want hij kan de vraag van de koning beantwoorden: Hoelang zal uw reis duren, en wanneer zult u terugkeren. En Nehemia gaf de koning een bepaalde tijd op. Dit was bepaald niet een korte periode, Nehemia 2 begint in het twintigste jaar van koning Artachsasta, in het tweeëndertigste jaar van Artachsasta, koning van Babel, keerde Nehemia terug (Nehemia 13:6), Hij vroeg dus om een verlof periode van 12 jaar! En Nehemia kreeg deze verlof periode van de koning. Nehemia moet het goed hebben voorbereid, want twaalf jaar is een zeer lange periode!

En Nehemia vervolgt weer met: "Indien het de koning goeddunkt". Hij rekent op de vijanden, en daarom vraagt hij om beschermbrieven van de koning en om toestemming van de koning om de muur rondom Jeruzalem te mogen herbouwen, ja zelfs met het geld (hout) van de koning. Dan kunnen zijn vijanden hem niet aanvallen en hem aanklagen bij de koning van Babel. Nehemia had alles goed voorbereid en hij was zeer open, eerlijk en duidelijk met zijn plannen voor de koning. Hij verborg niets.

Hoe naderen wij, gelovigen tot onze Koning, de Here Jezus Christus? Naderen wij vol ontzag, goed voorbereid, eerbiediging en open, eerlijk. Is het doel geen eigen belang, maar volkomen gericht op Gods Koninkrijk ? Hebben wij de mogelijke vijanden goed ingeschat, vragen wij bescherming van God om ons te beschermen tegen satan, de machten der duisternis en menselijke vijandschap?
Krijgen wij de goed Hand des Heren over ons en ons werk, zoals de koning alles gaf aan Nehemia en de goede hand van God over Nehemia was?

Het appèl van Nehemia op de inwoners van Jeruzalem

  1. Het was een krachtig appèl, omdat het gefundeerd was op gebed en persoonlijke roeping. Nehemia was een man Gods, maar hij bleef menselijk.
    Let hier op het feit, dat hij bij zijn aankomst te Jeruzalem, drie dagen rust nodig had. (Neh. 2:11 vergelijk met Joh. 4:6).
    Zijn appèl was geboren uit persoonlijke overtuigingen (Neh. 2:12-16, zie ook Galaten 1:16).

    Nehemia moest alle lasten afleggen. Hij liet zijn lastdier achter en ging verder met een diepgaand onderzoek; een ware worsteling door het puin van de muren van Jeruzalem. Nehemia hield niet van oppervlakkig onderzoek, ook als het onderzoek moeite en pijn kostte, ging hij door met zijn onderzoek, hij wilde eerst een gedetailleerd onderzoek plegen om zo tot in de kleinste details de kosten te kunnen berekenen en eventuele verrassingen uit te sluiten. Ga jij als zo goed voorbereid in het evangelie en Gods werk?

    Let ook op Nehemia's werkwijze. Weer gaat hij eerst (met slechts enkele mannen op onderzoek (vers 12), hij vertelt nog niets aan zijn medegenoten, de Joden, de priesters, de edelen, de leiders en overige beambten. Pas na inventarisatie en grondig onderzoek, als hij zeker van zijn zaak is en alles berekend heeft, vertelt Nehemia in vers 16 en 17) aan de Joden, priesters, leiders en overigen.

    Geestelijke les:
    Persoonlijk onderzoek is zeer belangrijk en het vereist diepgaand te geschieden. De Here antwoordt NIET bij oppervlakkig onderzoek.
    Bereken eerst de kosten, maak een plan alvorens je het presenteert aan je leiders en medegelovigen.

  2. Het was een krachtig appèl, omdat hij zich vereenzelvigde met de schuld van de mensen:
    1. U ziet de rampspoed waarin wij verkeren.
    2. Kom laat ons.
    3. Zodat wij niet langer een smaad zijn.

    Geestelijke les:
    In een tijd van nood en afval geven wij zo gemakkelijk anderen de schuld. Nehemia heeft niemand bekritiseerd.
    Is Nehemia in deze niet als een Christus' figuur ?

  3. Het was een krachtig appèl, omdat Nehemia getuigde van de hand Gods, die goed over hem geweest was.

Soms is men ontmoedigd als men mensen probeert mee te krijgen voor het werk des Heren en zij niet meedoen. Is dit het geval, ga dan op onderzoek:

  1. Heb je het goed voorbereid in gebed?
  2. Heb je van tevoren grondig onderzoek gepleegd?
  3. Ben je zelf bewogen voor deze zaak?
  4. Is het echt Gods opdracht?

De reactie van de vijanden van Gods werk op Nehemia's werk

In vers 1 zijn het er twee, in vers 19 komt de Arabier Gesem erbij en het groeit.

  1. Wij weten dat Gods genade groot is. Hier wordt dat getoond. De mannen van Jericho, de door God vervloekte stad, mocht OOK meebouwen. God wilden hen in genade weer gebruiken (Jozua 6:26; 1 Koningen 16:34).
  2. De zonden van de Gibeonieten (Jozua 9 en 10), waren vergeven en OOK zij mochten aan de muur van Jeruzalem meebouwen.

Waarom zo scherpe reactie van Nehemia tegen de personen in vers 10 en 19 ?

  1. Sanballat, de Horoniet, was een inwoner van Horoim, het land van Moab (Neh. 13:1-3; Numeri 22:1-6).
  2. Tobia was een Ammoniet (Neh. 13:1-3).
    Nehemia hield zich heel nauw aan de Schrift. Ieder mens, die zich nauw houdt aan de Bijbel, mag Gods zegen verwachten op zijn of haar arbeid, máár ook op de tegenstand. Is er geen tegenstand, dan mag men zich gerust afvragen, wat de reden hiervan is. Satan ziet immers Gods werk niet graag groeien! Richt je ogen op de Here Jezus Christus. In Nehemia lezen wij, hoe hij steeds het oog op God richtte, maar tevens hoe ook tegelijkertijd de vijanden toenamen.
  3. Gesem, de Arabier (vers 19), was een Edomiet of Ismaëliet. Beiden Ezau of Ismaël zijn in de Bijbel typen van de natuurlijke mens. De natuurlijke mens mag en kan niet meebouwen aan het rijk Gods. Neem nimmer bij het werk Gods mensen aan, die niet wedergeboren zijn. DAT GAAT FOUT !!!  Gebruik de geestelijke gaven en niet de natuurlijke gaven !
    Maar we zien ook dat de goddeloze koning, Nehemia de vrije tijd geeft om aan Gods opdracht en taak te voldoen, en de goddeloze koning levert zelfs materialen aan. Daarom mag de gelovige geld en materiaal aannemen van de ongelovige, als God het de ongelovigen op hun hart legt om het werk des Heren te steunen (denk maar eens aan het werk van het Leger des Heils, vele ongelovigen dragen bij door kleding af te staan en geld te werpen in de Kerstpotten. Echter het werk zelf, de kerkdienst, de evangelie verkondiging, dient uitsluitend door wedergeboren in de Here Jezus Christus te geschieden !!!

Terug naar topTerug naar boven


Herbouw muren van Jeruzalem - Nehemia 3

Toen maakte de hogepriester Eljasib zich gereed met zijn broeders, de priesters, en zij herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden haar en brachten de deuren aan; zij heiligden haar, en daarnevens de Meatoren en de Chananeltoren. Daarnaast bouwden de mannen van Jericho; daarnaast bouwde Zakkur, de zoon van Imri. De zonen van Senaa herbouwden de Vispoort; zij voorzagen haar van een zoldering en brachten de deuren, sluitbalken en grendels aan. Daarnaast was bezig met het herstellingswerk Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkos. Daarnaast was bezig Mesullam, de zoon van Berekja, de zoon van Mesezabel. Daarnaast was bezig Sadok, de zoon van Baana. Daarnaast waren bezig de Tekoieten, maar de aanzienlijken onder hen wilden hun schouders niet zetten onder het werk van hun heer. De Oude Poort herstelden Jojada, dezoon van Paseach, en Mesullam, de zoon van Besodja. Zij voorzagen haar van een zoldering en brachten de deuren, sluitbalken en grendels aan. Daarnaast waren bezig de Gibeoniet Melatja en de Meronotiet Jadon, de mannen van Gibeon en van Mispa, die stonden onder het gezag van de landvoogd van het gebied over de Rivier. Daarnaast was bezig Uzziel, de zoon van Charhaja, een van de goudsmeden. Daarnaast was bezig Chananja, een zalfbereider; en zij behoefden aan Jeruzalem bij de brede muur niets te doen. Daarnaast was bezig Refaja, de zoon van Chur, de overste van de ene helft van het district Jeruzalem. Daarnaast was bezig Jedaja, de zoon van Charumaf, en wel tegenover zijn eigen huis. Daarnaast was bezig Chattus, de zoon van Chasabneja. Een tweede stuk herstelden Malkia, de zoon van Charim, en Chassub, de zoon van Pachat-moab; ook herstelden zij de Bakoventoren. Daarnaast was bezig Sallum, de zoon van Halloches, de overste van de andere helft van het district Jeruzalem, hij en zijn dochters. De Dalpoort herstelden Chanun en de inwoners van Zanoach; zij herbouwden haar en brachten de deuren, sluitbalken en grendels aan; bovendien herbouwden zij duizend el van de muur tot aan de Aspoort. De Aspoort herstelde Malkia, de zoon van Rekab, de overste van het district Bet-kerem. Hij herbouwde haar en bracht de deuren, sluitbalken en grendels aan. De Bronpoort herstelde Sallum, de zoon van Kolchoze, de overste van het district Mispa; hij herbouwde haar en voorzag haar van een dak en bracht de deuren, sluitbalken en grendels aan; bovendien herbouwde hij de muur vande waterleidingvijver bij de tuin van de koning, tot aan de trappen die afdalen van de stad Davids. Verderop was bezig Nechemja, de zoon van Azbuk, de overste van het halve district Bet-sur, tot tegenover de graven van David en tot aan de aangelegde vijver en tot aan het huis der helden. Verderop waren bezig de Levieten: Rechum, de zoon van Bani. Daarnaast was bezig Chasabja, de overste van de ene helft van het district Keila, voor zijn district. Verderop waren bezig hun broeders: Bawwai, de zoon van Chenadad, de overste van de andere helft van het district Keila. Daarnaast herstelde Ezer, de zoon van Jesua, de overste van Mispa, een volgend stuk, tegenover de opgang naar het tuighuis aan de hoek. Verderop herstelde Baruch, de zoon van Zabbai, vol ijver een volgend stuk, van de hoek tot aan de ingang van het huis van de hogepriester Eljasib. Verderop herstelde Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkos, een volgend stuk, van de ingang van het huis van Eljasib tot aan het einde van het huis van Eljasib. Verderop waren bezig de priesters, de mannen van de Streek. Verderop waren bezig Benjamin en Chassub tegenover hun huis. Verderop was bezig Azarja, de zoon van Maaseja, de zoon van Ananja, naast zijn huis. Verderop herstelde Binnui, de zoon van Chenadad, een volgend stuk, van het huis van Azarja tot aan de Punt en tot aan de hoek. Palal, de zoon van Uzai, was bezig tegenover de Punt en de hoge toren, die uitspringt uit het huis des konings, bij de gevangenhof. Verderop was bezig Pedaja, de zoon van Paros (de tempelhorigen woonden op de Ofel) tot bij de Waterpoort aan de oostzijde, en de uitspringende toren. Verderop herstelden de Tekoieten een volgend stuk van bij de grote uitspringende toren tot aan de muur van de Ofel. Vanaf de Paardenpoort waren de priesters bezig, ieder tegenover zijn huis. Verderop was bezig Sadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. Verderop weer was bezig Semaja, de zoon van Sekanja, de wachter van de Oostpoort. Verderop herstelden Chananja, de zoon van Selemja, en Chanun, de zesde zoon van Salaf, een volgend stuk. Verderop was bezig Mesullam, de zoon van Berekja, tegenover zijn kamer. Verderop was bezig Malkia, de goudsmid, tot aan het huis der tempelhorigen en der handelaren, tegenover de Wachtpoort en tot de bovenzaal aan de hoek. En tussen de bovenzaal aan de hoek en de Schaapspoort waren de goudsmeden en de handelaars met het herstellingswerk bezig.

Wat betekent dit?

10 verschillende poorten

In de eerste plaats wordt er in Nehemia 3 een beschrijving gegeven over de 10 verschillende poorten:

  1.De Schaapspoort\
  2. De Vispoort |Zij waren verbrand en moesten
  3. De oude Poort >hersteld worden. Voor de
  4. De Dalpoort |werkzaamheden (vers 3).
  5. De Aspoort |
  6. De Bronpoort/
  7. De Waterpoort\
  8. De Paardenpoort |Zij behoefden kennelijk niet
  9. De Oostpoort >hersteld te worden.
10. De Wachtpoort/

PoortVoor meer informatie zie Poorten van Jeruzalem



11. Neh. 8:17 De Efraimpoort               Openbaring 21:12 Spreekt van de 12 poorten
12. Neh. 12:39 De Gevangenpoort

De hogepriester Eljasib bouwt wel de poort, maar brengt geen grendels aan, hij laat tenslotte de vijand binnen (Neh. 13:4-5, 28).

Geestelijke les:  Wij moeten ons werk en ons leven afgrendelen, zodat niet de vijand (eigen-ik, werken van het vlees, satan) kan binnensluipen.

:In het begin, gaf de hogepriester een goed voorbeeld, want hij was bereid met zijn handen te werken.

De beste omgeving is daar waar je het meest gemotiveerd bent, om dat te bewaken en te verdedigen. In vers 10 zien we dat Charumaf bezig was tegenover zijn eigen huis. Ook in de verzen 23, 28 en 29 waren ze bezig tegenover hun eigen huis.

Lessen:

  1. Het werk werd verdeeld en een ieder volbracht zijn werk, dat hem toebedeeld was. Zo moet ook de gelovigen eensgezind bouwen. Geen onderscheid vanwege kerkelijke gelovigen (Rooms-Katholiek, Protestant, Gereformeerd, Baptist, etc.).
  2. Iedereen werkte samen en aan een gesloten. Zodoende werd er effectief gewerkt en behoefte niemand de ander te verdringen.
  3. Een ieder deed wat hij kon. God gebruikt de talent(en) van iedere gelovige. God wil dat de gelovigen zijn op de plaats, die God hem of haar plaatst, daar wij ons heden bevinden. Niet op de plaats, waar wij mogelijk in de toekomst naar toegaan. Neen, wij dienen te arbeiden op de plaats waar God ons nu stelt.
    Ook de vrouwen werkten meer. Gods arbeid is niet alleen voor behouden aan mannen, ook vrouwen hebben van God hun eigen taak gekregen! (maar zij mogen niet preken) Vaak verzorgen de vrouwen de allermoeilijkste taken. Bij hen ligt de moederlijke liefde !
    Wij zien dus dat er bereidheid was bij iedereen, behalve bij de aanzienlijken.
    Zelfs de oversten was bereid het minste werk te doen, namelijk bij de minste poort: de Aspoort. De Aspoort, waar het vuil doorheen werd gebracht.
    De goudsmid met fijne handen was bereid de muur, het grove werk, te doen.
  4. Het werkterrein begint in je eigen familie, eigen omgeving.

God test soms de bereidwilligheid van de gelovige !!!

Terug naar topTerug naar boven


Moeilijkheden en Aanvallen - Nehemia 4

Maar toen Sanballat gehoord had, dat wij de muur aan het herbouwen waren, ontstak hij in woede en ergerde zich zeer; hij bespotte de Joden, en zei in tegenwoordigheid van zijn broeders en van het leger van Samaria: Wat doen die machteloze Joden? Zal men hen laten begaan? Zullen zij offeren? Zullen zij vandaag gereed komen? Zullen zij de stenen uit de puinhopen, verbrand als ze zijn, weer tot leven wekken? De Ammoniet Tobia nu stond naast hem en zei: Al bouwen zij ook, als er maar een vos tegen hun stenen muur opspringt, doet hij hem afbrokkelen. (Hoor, onze God, hoe wij gehoond worden, en doe hun smaad terugkeren op hun eigen hoofd en geef hen als buit over in een land van gevangenschap. Bedek hun ongerechtigheden niet en laat hun zonde niet uitgewist worden voor uw aangezicht, omdat zij krenkend zijn opgetreden tegen hen die herbouwen). Maar wij herbouwden de muur, en de gehele muur werd tot zijn halve hoogte voltooid, want het volk had lust om te werken. Maar toen Sanballat, Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de Asdodieten gehoord hadden, dat de herstelling van de muren van Jeruzalem vorderde, dat de bressen zich begonnen te sluiten, ontstaken zij in hevige woede, en maakten allen met elkander een samenzwering, om ten strijde te trekken tegen Jeruzalem en er verwarring te stichten. Doch wij baden tot onze God, en vanwege hun houding zetten wij dag en nacht een wacht tegen hen uit. Juda zei: De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel; wij zijn niet in staat de muur te bouwen. Onze tegenstanders echter zeiden: Zij zullen niets merken noch gewaarworden, totdat wij in hun midden komen, hen doden en het werk stopzetten. Toen de Joden die bij hen woonden, het ons wel tienmaal kwamen zeggen, uit al de plaatsendie onze zijde kozen, liet ik, op de laagst gelegen gedeelten van het terrein achter de muur, het volk zich, naar hun geslachten geordend, opstellen met hun zwaarden, speren en bogen. Ik zag toe, en stond op en zei tot de edelen, de leiders en het overige volk: Vreest toch niet voor hen; denkt aan de grote en geduchte Here en strijdt voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen. Toen nu onze vijanden gehoord hadden, dat wij op de hoogte gekomen waren en dat God hun plan verijdeld had, konden wij allen terugkeren naar de muur, ieder tot zijn werk. En sinds die dag deed de ene helft van mijn knechten het werk en de andere helft droeg de speren, de schilden, de bogen en de pantsers, terwijl de oversten achter het gehele huis Juda stonden, dat aan de muur bouwde. De lastdragers verrichtten hun arbeid zo, dat zij met de ene hand het werk deden en met de andere hand de werpspies vasthielden; de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan de heup gegord, terwijl zij aan het bouwen waren. De hoornblazer stond naast mij. En ik zei tot de edelen, de leiders en het overige volk: Het werk is groot en uitgebreid en wij zijn langs de muur verspreid, ver van elkaar. Op de plaats, vanwaar u het hoorngeschal hoort, moet gij u bij ons verzamelen. Onze God zal voor ons strijden. Wij waren dan bezig met het werk, terwijl de helft der mannen de speren hield, van het aanbreken van de dageraad tot aan het opkomen der sterren. Ook gaf ik in diezelfde tijd aan het volk het bevel: Ieder moet met zijn knecht binnen Jeruzalem overnachten, zodat zij des nachts voor ons de wacht kunnen houden en overdag aan het werk kunnen zijn. En ik, mijn broeders, mijn knechten en de mannen van de wacht die mij volgden, wij kwamen nooit uit de kleren. Ieder hield zijn werpspies in zijn rechterhand.

Wat betekent dit?

De tactiek van satan: 7 aanvallen

  1. De spot, de beschuldiging en de minachting
    Men bespot je bij het brengen van het Evangelie. Ook de Heer wordt bespot. De vijand houdt je voor onmachtig. Men haalt alles naar beneden en wijst je op de geringe aantallen christenen en het kleine resultaat. Nehemia's antwoord hierop is gebed.
    God zal het doen voor ons, wij hoeven niet in eigen kracht te gaan, maar in Gods kracht. Nehemia bidt en volhard in het werken. Hij volhardt ondanks alle spot. Hij roemt in de kracht Gods. De goede werken zijn een antwoord op de spot. Nehemia geeft het goede voorbeeld. Jouw invloed als leider en voorbeeld kan zeer groot zijn.
  2. De openlijke aanval op de bouwlieden
    De vijanden worden steeds talrijker. Wij zien dat de aanvallen steeds openlijker worden en steeds krachtiger worden.
    Het antwoord is:a. Bidden
    b. Een wacht zetten
    1 Petrus 5:8a. Waak en bid
    b. Wees waakzaam

    Durf de feiten onder ogen te zien. Zet je niet af tegen de mening van anderen.

  3. De bouwlieden zijn ontmoedigd geworden
    Juda is één van de medewerkers. Werk niet ontmoedigend op anderen ! Dit werkt verlammend. Stimuleer de anderen !
  4. Poging om hen onverwachts te overvallen
    Nehemia is op de hoogte. God geeft hem inzicht in de duivelse praktijken. Waar komt het op aan ?
    1. God geeft licht middels Zijn Woord, de Bijbel.
    2. God geeft kennis en inzicht om de satan te weerstaan.
    3. Nehemia zet mensen neer met wapens. Zie Efeze 6:10-20.
      Het zwaard is een beeld van het Woord, de Bijbel. Wees zó bezig in de maatschappij, dat je tijdens je werk bezig bent met het Woord Gods.

    Er zijn ook mensen, die alleen de wacht houden. En mensen, die alleen met twee handen werken.
    Voorbeeld: De ene groep blijft achter voor continue gebed, terwijl de andere groep gaat evangeliseren op de wallen of onder de drugverslaafden.

Terug naar topTerug naar boven


Maatregelen met betrekking tot de armen - Nehemia 5

Er ontstond nu een groot geroep van het volk met hun vrouwen tegen hun Joodse volksgenoten. Er waren er, die zeiden: Onze zonen en onze dochters zijn talrijk, en wij willen koren hebben om te eten en te leven. Ook waren er, die zeiden: Onze velden, onze wijngaarden en onze huizen hebben wij moeten verpanden om in de honger koren te hebben. Dan waren er, die zeiden: Wij hebben geld voor de belasting van de koning geleend op onze velden en wijngaarden. Nu dan, wij zijn van hetzelfde vlees en bloed als onze broeders, onze zonen zijn even goed als de hunne en zie, wij moeten onze zonen en onze dochters tot slaven laten worden, en sommige van onze dochters zijn reeds tot slavinnen vernederd, zonder dat wij er iets tegen vermogen; en anderen hebben onze velden en wijngaarden in bezit. En ik werd zeer toornig, toen ik hun geroep en deze feiten gehoord had: nadat ik alles goed had overwogen, verweet ik de edelen en de leiders: Gij neemt woeker, ieder van zijn volksgenoot. Ook belegde ik tegen hen een grote vergadering en zei tot hen: Wij hebben onze broeders, de Joden, die aan de heidenen verkocht waren, losgekocht, voor zover wij konden; maar gij gaat uw broeders verkopen en zij verkopen zich aan ons! En zij zwegen en vonden geen antwoord. Toen zei ik: Wat gij doet, is niet goed. Zult gij niet wandelen in de vreze voor onze God om de hoon van de heidenen, onze vijanden, te ontgaan? Ook ik, mijn broeders en mijn dienaren hebben hun geld en koren te leen gegeven; wij willen deze schuld kwijtschelden. Geeft hun vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijfbomen en hun huizen terug, en de rente van het geld, ook het koren, de most en de olie,die gij hun te leen gegeven hebt. En zij zeiden: Wij zullen ze teruggeven en van hen niets vorderen, wij zullen zo doen als gij zegt. Toen liet ik hen zweren, nadat ik de priesters geroepen had, dat zij dien overeenkomstig zouden doen. Ook schudde ik de boezem van mijn kleed uit en zei: Zo zal God iedere man die dit woord niet gestand doet, uitschudden uit zijn huis en uit zijn bezit en zo zal hij uitgeschud en leeg zijn. En de gehele gemeente zei: Amen, en zij loofden de Here. Het gehele volk deed volgens deze afspraak. Ook hebben van de dag af, dat koning Artachsasta mij aanstelde tot landvoogd over het land Juda, van zijn twintigste tot zijn tweeëndertigste regeringsjaar, twaalf jaar lang, noch ik, noch mijn broeders het brood van een landvoogd gegeten. De vroegere landvoogden daarentegen, die voor mij geweest waren, legden het volk zware lasten op en vorderden van hen brood en wijn, bovendien veertig sikkels zilver. Zelfs hun knechten gedroegen zich als heer en meester over het volk. Doch ik heb zo niet gedaan uit vrees voor God. Ook het werk aan deze muur nam ik zelf ter hand, zonder enig veld in eigendom te verwerven; en al mijn knechten waren daar bij het werk bijeen. De Joden nu en de leiders, honderd vijftig man, en zij die tot ons van de volken rondom ons gekomen waren, aten aan mijn tafel. Wat op een dag bereid werd: een rund, zes uitgelezen stuks kleinvee, en gevogelte, kwam op mijn kosten, en alle tien dagen allerlei wijn in overvloed. En met dat al heb ik het brood van een landvoogd niet gevorderd, omdat de dienst zwaar op dit volk drukt. Gedenk mij, mijn God, ten goede al wat ik aan dit volk gedaan heb.

Wat betekent dit?

  1. Aanval 5: De interne moeilijkheden
    De satan doet een aanval op de eenheid in de samenwerking. Hij poogt twist en tweedracht te zaaien.
    De eenheid in een team wordt soms aangevochten. Als die eenheid is verbroken, merkt de omgeving dit. Kijk maar eens naar het kwaadspreken over de gelovigen, omdat de Rooms-Katholieken en Protestanten tegenover elkaar staan (Denk eens aan Noord-Ierland: Ulster).
    De eenheid van een team is een absolute vereiste! Fil. 1:27-28: "Wees elkaar onderdanig".
    Het antwoord op satans aanval is: Alles goed overwegen EN een groot persoonlijk offer. Heul niet met de vijand.

    Nehemia gaat weer terdege te werk. Eerst hoort hij de klachten van het volk aan. Onderzoek hij ze en pas nadat hij alles goed had overwogen (vers 7) en zijn woorden had voorbereid, ging Nehemia naar de edelen en leiders om hen in staat van beschuldiging met de feiten te stellen. Maar daar blijft het niet bij. Hij belegt een GROTE vergadering, om de zaken op orde te stellen.
    Nehemia's getuigenis is krachtig. Daarom kan hij scherp reageren. Nehemia vermaant het volk. Hij stelt zichzelf als voorbeeld. Het volk belijdt zijn schuld. Eigenwijsheid verbreekt de eenheid. Wees elkaar tot voorbeeld.

    Nehemia zorgt er ook voor dat er op hemzelf niets valt aan te merken. Gedurende de 12 jaar dat Nehemia in Juda verbleef, zorgde hij voor zichzelf, hij legde geen lasten van levensonderhoud op aan het volk waarover hij als landvoogd door de koning was aangesteld, hoewel hij daar als door de koning aangestelde landvoogd het volste recht toe had. Nee, Nehemia, vreesde God! (verzen 9-14)
    Nehemia betaalde alles zelf, en dat was niet gering: per dag : 1 rund, 6 uitgelezen stuks kleinvee, gevogelte en wijn, gedurende tien dagen van de bouw. Hij gaf niet het minste, neen, we lezen "uitgelezen", dus het beste van het beste. En het ging niet om een gering aantal dat Nehemia voedde, in vers 17 lezen we dat het 150 man bedroeg die aan de tafel van Nehemia aten.

    Indien de gelovige in staat is in zijn of haar levens onderhoud zelf te voorzien, dienen wij niet te teren op het geld van onze broeders en zusters. Wij dienen ons tegen lasterpraat van de vijand te beschermen en goede rentmeesters tegenover de Here God te zijn.

Voltooiing van de muren - Nehemia 6:1-14

Toen Sanballat, Tobia, de Arabier Gesem, en de rest van onze vijanden vernamen, dat ik de muur herbouwd had en dat daarin geen bres meer was overgebleven, hoewel ik tot die tijd nog geen deuren in de poorten aangebracht had, zonden Sanballat en Gesem tot mij de boodschap: Kom, laten wij samenkomen te Kefirim in het dal van Ono. Maar zij waren van plan, mij kwaad te doen. Toen zond ik tot hen boden met het antwoord: Ik ben bezig een groot werk te doen en kan niet komen. Waarom zou het werk stil liggen, doordat ik het verliet en tot u kwam? Zij zonden viermaal zulk een boodschap tot mij, en ik gaf hun steeds op dezelfde wijze antwoord. Toen zond Sanballat op dezelfde wijze voor de vijfde maal zijn knecht tot mij met een open brief in zijn hand. Daarin stond geschreven: Onder de volken gaat een gerucht en Gesem bevestigt het, dat u en de Joden van plan zijn in opstand te komen; daarom bent u bezig de muur te herbouwen, en u wilt volgens dat zeggen hun koning worden. Zelfs hebt u profeten aangesteld, om over u in Jeruzalem uit te roepen: Er is een koning in Juda! Nu dan, dergelijke dingen zullen de koning ter ore komen; kom dan nu, laten wij samen beraadslagen.Doch ik zond hem het antwoord: Er is van zulke dingen, als u noemt, niets geschied, maar u verzint ze zelf. Want zij allen trachtten ons bevreesd te maken, daar zij dachten: Hun handen zullen dan het werk nalaten, zodat het niet gedaan wordt. Nu dan, sterk mijn handen! Toen ik in het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabel, gekomen was, (deze nu was verhinderd) zei hij: Wij moeten samen naar het huis Gods gaan, binnen de tempel, en dan de deuren van de tempel sluiten, want zij komen om u te doden, ja vannacht nog komen zij om u te doden. Maar ik zei: Zou een man als ik vluchten? Hoe kan iemand als ik de tempel binnengaan en in leven blijven? Ik ga niet! Want ik merkte duidelijk, dat God hem niet gezonden had, maar hij had die profetie over mij gesproken, omdat Tobia en Sanballat hem omgekocht hadden. Daartoe was hij omgekocht, dat ik bevreesd zou worden en, door iets dergelijks te doen, zou zondigen; dan zou het hun stof gegeven hebben tot een kwaad gerucht teneinde een smaad op mij te werpen. (Gedenk, mijn God, Tobia en Sanballat ieder naar dit zijn werk en ook de profetes Noadja en de overige profeten, die getracht hebben mij bevreesd te maken).

Wat betekent dit?

  1. Aanval 6: De aanval van het compromis
    Het dal van Ono is bekend als een recreatie oord. Het dal Ono ligt in de kustvlakte. Het behoorde niet tot de provincie Asdod of Samaria., maar lag daar tussen in. De vijanden kiezen neutraal terrein voor een onderhoud met Nehemia.
    Nehemia doorzag echter deze aanval , deze verleiding: Om zodoende tot rust te komen, opdat het werk zou rusten. Zijn antwoord luidt: Ik heb geen tijd, ik ben bezig een groot werk te doen. Ik kan het werk niet stil laten liggen.
    Stel je bij het evangelisatie werk steeds de vraag, is het een groot werk, betekent het werkelijk iets voor de Here Jezus Christus ?
  2. De open brief, het kwaad gerucht, de bevestiging daarvan, angst en profetie
    Het is bedenkelijk als een kwaad gerucht over je verspreid wordt, en nog meer als dit kwade gerucht bevestigd wordt. Nehemia was een man met autoriteit. Het was dus niet verwonderlijk, dat de vijand een kwaad gerucht verspreidde. Nehemia diende echter hun met het antwoord: "U verzint het zelf".
    De dienstknecht van de Here dient zich voor 100% verantwoord te weten voor God. In dat geval is hij of zij ook verantwoord tegenover de medemensen. Wees voorzichtig om in te gaan op valse geruchten. Breng het voor God en bidt voor Zijn Raad en hoe verder te handelen.  Doorzoek Gods Woord en wapen je met Zijn Woord.

    Allen trachten ons bevreesd te maken.
    De aanval van satan is om ons angst aan te jagen!
    Bij Nehemia zelfs zo sterk om hem te doden. Echter Nehemia antwoordt met vastbeslotenheid. Bij deze aanval is zelfs sprake van profetie, alsof het van God afkomstig zou zijn. Ze nodigen hem zelfs uit in de tempel, het huis van God.
    Heden ten dage is er heel veel valse profetie. Wij kunnen alleen onderscheiden als wij heel dicht bij de Here God wandelen en in het Licht wandelen, en onderscheiden waar het vandaan komt.
    Het is belangrijk om:
    1. Heel dicht bij de Here Jezus Christus te blijven.
    2. In het licht van de Here Jezus Christus te blijven wandelen.
    3. Te bidden voor de onderscheiding des geestes (ontmaskering van yoga, T.M., acupunctuur, sekten, welke onder invloed staan van de machten der duisternis en satan).
    Men zondigt voor God als men vlucht, terwijl God wil, dat je blijft staan. De satan probeert een smaad op u te werpen (als je vlucht).

    Laat ook op de tactiek van satan:
    "Wij moeten samen naar het huis Gods gaan, binnen de tempel, en dan de deuren van de tempel sluiten".
    Wat is er mis mee het huis Gods, de tempel binnen te gaan. Van alles ! Nehemia was een gewone Jood, hij behoorde NIET tot het priesterlijke geslacht. Alleen priesters mochten de tempel binnengaan. Elke Jood die niet tot het priesterlijke geslacht behoorde, zondigde door de tempel binnen te gaan en zou door Gods toorn (dodelijk) getroffen worden. Hier tracht de vijand op een listige manier het o zo mooi voor te stellen, we gaan naar Gods huis, en daar zou Nehemia zelf door Gods toorn worden getroffen. Nehemia is zich hiervan goed bewust in vers 11 antwoordt hij: "Hoe kan iemand als ik de tempel binnengaan en in leven blijven?"
    Leer hiervan. Wees bedacht op de arglistigheid van je vijanden en satan. Soms wordt het o zo godsdienstig voorgesteld (denk maar eens aan de yoga, spiritisme, meditatie en Maria verering, soms zelf gepromoot door de kerk). Terwijl het een gruwel in Gods ogen is en niets met God te maken heeft, ja eerder het tegendeel, God keert Zich van deze gelovige af. Daarom onderzoek de achtergrond en de beweegredenen!

Terug naar topTerug naar boven


Zeven belangrijke lessen voor ons geestelijk leven, Nehemia 6:15-19

De muur nu was voltooid op de vijfentwintigste Elul, in tweeënvijftig dagen. Toen al onze vijanden dat gehoord hadden, werden al de volken rondom ons bevreesd en zeer terneergeslagen, en erkenden, dat dit werk met de hulp van onze God gedaan was. Ook richtten in die dagen de edelen van Juda vele brieven aan Tobia en ook kwamen er vanTobia tot hen, want velen in Juda waren eedgenoten van hem, omdat hij een schoonzoon was van Sekanja, de zoon van Arach, en zijn zoon Jochanan de dochter van Mesullam, de zoon van Berekja, getrouwd had. Ook vertelden zij goede dingen van hem in mijn tegenwoordigheid en brachten mijn woorden aan hem over. Tobia zond brieven om mij bevreesd te maken.

Wat betekent dit?

  1. De muur op zichzelf genomen garandeert nog niet een echte afscheiding van de vijanden of van de wereld.
    De meeste gelovigen wonen graag in de wereld aan de grens. Ze wippen graag over naar de dingen van en in de wereld. Uiterlijk zijn ze vroom. Zondags gaan ze wekelijks naar de kerk, om door de weeks een werelds leven te leiden en merkt niemand een verschil met de ongelovigen. Innerlijk hebben ze de wereld lief 1 Joh. 2:15-17.
    De vijand erkent dat het werk van God is. De vijand wordt hierdoor zeer terneergeslagen. Hoe kwam het dat het werk in 52 dagen gereed was? Dit kwam omdat zij gezamenlijk de handen ineen hadden geslagen. Het was Gods werk!
    Binnen de herbouwde muur waren er zelfs onder de edelen, die medelijden hadden met Tobia. De houding van Nehemia tegenover Tobia, de vijand van Gods volk en werk (Neh. 2:19) werd vergeten.

Bewaking van de muren van Jeruzalem - Nehemia 7:1-4

Toen dan de muur herbouwd was, bracht ik de deuren aan, en werden de poortwachters, de zangers en de Levieten aangesteld. Over Jeruzalem stelde ik aan mijn broeder Chanani en Chananja, de overste van de burcht, (want deze was een betrouwbaar man en godvrezend boven velen) en ik zei tot hen: De poorten van Jeruzalem mogen nietgeopend worden, voordat de zon heet wordt; en, terwijl men op zijn post staat, moet men de deuren sluiten, en u moet ze grendelen. En u zult wachtposten opstellen van de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn post, ieder tegenover zijn huis. De stad nu was ruim en groot, maar het inwonertal was gering, en er waren geen huizen gebouwd.

Wat betekent dit?

Nehemia bracht de poorten aan en sloot zich nog meer af van de wereld. De gelovige mag geen compromissen sluiten, 2 Cor. 6:14, maar moet zichzelf tucht gaan opleggen. Neh. 6:18 ga niet een ongelijk juk aan. Het is verboden om met een ongelovige samen te werken tijdens evangelisatie en met een ongelovige te huwen!

  1. De deuren worden aangebracht en er is een toegang tot Jeruzalem, maar niet voor iedereen
    De deur spreekt van intrede en gemeenschap Joh. 10:1-3, 9.

    Een evangelisatie boodschap is nooit volledig als er geen uitnodiging in verwerkt is om tot de Here Jezus Christus als persoonlijke Verlosser van de zonde aan te nemen.
    Laat de Heilige Geest je in deze uitnodiging leiden.

    Openbaring 21:27 en 22:15 De deur spreekt ook van het feit dat bepaalde mensen niet mogen binnenkomen. Dit geldt voor die mensen, die zonden vasthouden en niet loslaten. De deur (voor de gelovige: de gemeenschap met God de Vader en de Here Jezus Christus) blijft gesloten als de gelovige de zonde niet belijdt.

  2. Wachters worden aangesteld, want het gevaar dreigt altijd
    Jesaja 62:6-7 Er zijn wachters, die constant bidden tot God des daags en des nachts, opdat God Jeruzalem zou herbouwen tot lof en ere van de Here God Zelf. Vers 7 En laat Hem geen rust.
    De wachtposten worden aangesteld, een ieder tegenover zijn eigen huis. Daar is men het beste gemotiveerd om zijn eigen gezin en familie te verdedigen. De gelovige is het best gemotiveerd om voor de ongelovige in zijn/haar eigen gezin, familie, buren en omgeving te bidden en het evangelie te brengen om te voorkomen dat zij door de satan worden opgeslokt en voor de eeuwigheid in de poel des vuurs belanden. De gelovige dient te strijden tegen satan en de machten der duisternis, opdat de ongelovige gezins- en familieleden en naasten onder de macht van satan en duisternis uit komen en niet komen in de poel des vuurs, maar tot erkentenis van zonden komen en het geloof in de Here Jezus Christus en daardoor het eeuwig leven in de hemel beërven.

    Wij dienen aanhoudend te bidden, totdat God ons verhoord en Hij groot gemaakt wordt en Hij de lof en ere ontvangt.

    Ezechiël 3:16-21 en 33:1-11 God heeft de gelovige aangesteld tot wachter en verplicht gesteld dat de gelovige de blijde boodschap vertelt van de redding van de mens door Jezus Christus voor de mens die in zonde leeft.

    Vertel je het Evangelie niet aan de ongelovige, dan zul je verantwoordelijk worden gesteld voor zijn/haar eeuwige verlorenheid en zul je zelf schaden lijden.

  3. Zangers worden aangesteld
    Het lied is belangrijk in het leven van de gelovige, maar ook vaak een middel waardoor de ongelovigen worden bereikt en behouden worden!

    In het N.T. worden de gelovigen opgeroepen tot het zingen van geestelijke liederen Efeze 5:19.

    Col. 3:16 Dit gebeurt vanzelf als het Woord van God rijkelijk in je woont. 1 Cor. 14:15 De liederen dienen met hart en verstand gezongen te worden. Daarom is het goed steeds nieuwe liederen te leren. Soms is een toelichting op een lied prettig, omdat dit de mensen doet nadenken over de inhoud. Hebr. 2:12 Het lied is belangrijk.

  4. Levieten worden aangesteld
    De tempeldienst moest doorgaan. De erediensten moeten regelmatig geschieden. Al hoewel sommigen een speciale gaven (Efeze 4:11) bezitten, worden in het N.T. alle gelovigen geroepen tot de priester dienst: 1 Cor. 14:40; Hebr. 10:25 en 13:17 en 1 Petrus 2:5, 9.
  5. Hanani en Hananja worden aangesteld als gouverneurs van Jeruzalem
    Het werk is en blijft te groot voor één mens. Hanai, een broeder naar het vlees, maar ook iemand, die blijkt hart te hebben voor de inwoners van Jeruzalem.
    Hananja:
    1. Overste van de brucht.
    2. Een betrouwbaar man.
    3. Godvrezend boven velen.

    Dit zijn kwaliteiten en karakter eigenschappen, die bij de dienstknechten van God niet mogen ontbreken. Betrouwbaarheid is een wezenlijk onderdeel in de dienst des Heren.

  6. De stad was ruim en groot maar haar inwoners waren echter weinig
    Nehemia heeft de stad in het geloof gebouwd. Waarom wilden de mensen niet in Jeruzalem wonen?
    1. Vanwege de vereiste nauwgezette wandel.
    2. Vanwege de burenhaat der vijanden.
    3. Op het land wonen, gaf materiële voordelen.
    De stad nu was ruim en groot, maar het inwonertal was gering, en er waren geen huizen gebouwd. Hierbij mogen we ook vooruit blikken naar de Here Jezus Christus, Die zegt in Johannes 14:2-3: "In het huis mijns Vaders zijn vele woningen want Ik ga heen om u plaats (woning) te bereiden en wanneer Ik heengegaan ben en uw plaats bereid heb, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zijn mocht, waar Ik ben".
    Vergelijken we de stad met de hemel, dan is de stad, de hemel, ruim en groot, maar ten tijde van de Here Jezus Christus was het inwonertal (aantal christenen) gering, en waren er geen huizen in de stad, in de hemel, gebouwd. Daarom ging de Here Jezus Christus heen om de woning voor de christen in de Hemel te bouwen.
  7. Verzen 69 tot 71 vertelt over de enorme financiële bijdrage die het volk levert aan het werk. Zo dienen ook de gelovige ruimschoots bij te dragen aan het werk van God. Een ieder naar zijn/haar draag vermogen.

Nehemia 7:64-65

Dezen zochten naar het schriftelijk bewijs, dat zij ingeschreven waren in het register, maar daar het niet te vinden was, werden zij van het priesterschap uitgesloten, en de stadhouder deed aangaande hen de uitspraak, dat zij van het allerheiligste niet mochten eten, totdat een priester zou optreden met Urim en Tummin.

Wat betekent dit?

Alleen zij die kunnen bevestigen dat zij tot het priesterlijk geslacht behoren, hebben toegang in de tempel en mogen van het allerheiligste eten. Zo ook voor de gelovigen, alleen zij die de Here Jezus Christus als de Verlosser van hun zonden hebben aangenomen, zij alleen hebben toegang tot de Hemel en worden ingeschreven in het Boek des Levens (Openbaring 3:5; 21:27). Alleen de persoon zelf, die Jezus Christus als zijn/haar persoonlijke Verlosser heeft aangenomen mag zeker weten dat zijn/haar naam staat geschreven in het boek des levens.
Als iemand zegt belijdenis gedaan te hebben of tot de kerk te behoren en niet openlijk de Here Jezus Christus belijdt als Degene, Die voor zijn/haar zonden is gestorven, mogen we gerust onze vraagtekens zetten en twijfelen of zijn/haar naam staat geschreven in het boek des levens, dat zal dan blijken op de dag dat het boek (de Urim en Tummin) des levens geopend wordt, en zal de priester (de Here Jezus Christus) uitspraak doen.

Terug naar topTerug naar boven


Opwekking: Bijbel lezen, Gebed en Toewijding, Nehemia 8

Bijbel lezen en Toewijding

Toen nu de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren, kwam het gehele volk als een man bijeen op het plein voor de Waterpoort. En men verzocht de schriftgeleerde Ezra het boek der wet van Mozes, die de Here aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de priester Ezra de wet voor de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. En hij las daaruit voor op het plein voor de Waterpoort van dat het licht werd tot de namiddag in tegenwoordigheid van de mannen en de vrouwen en van hen die het konden begrijpen. Het gehele volk hoorde aandachtig naar het boek der wet. De schriftgeleerde Ezra stond op een houten verhoging, die men voor die gelegenheid gemaakt had. En naast hem, aan zijn rechterhand, stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maaseja; en aan zijn linkerhand Pedaja, Misael, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zekarja, Mesullam. Ezra opende dus het boek ten aanschouwen van het gehele volk, want hij stond hoger dan het gehele volk. En zodra hij het boek opende, stond het gehele volk op. Ezra loofde de Here, de grote God, en het gehele volk antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief: Amen, Amen. En zij knielden en bogen zich voor de Here neder met het gelaat ter aarde. En Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maaseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan, Pelaja en de Levieten gaven het volk onderricht in de wet, terwijl het op zijn plaats bleef staan. Zij lazen namelijk uit het boek, uit de wet Gods, duidelijk voor en gaven uitlegging, zodat men wat voorgelezen begreep. En Nehemia (dat is de stadhouder) met de priester-schriftgeleerde Ezra en de Levieten, die het volk onderricht gaven, zeiden tot het gehele volk: Deze dag is voor de Here, uw God, heilig; bedrijft geen rouw en weent niet.Want het gehele volk weende, toen het de woorden der wet hoorde. Voorts zei hij tot hen: Gaat heen, eet lekkernijen en drinkt zoete dranken en zendt aan ieder voor wie niets bereid is, een deel, want deze dag is voor onze Here heilig: weest dus niet verdrietig, want de vreugde in de Here, die is uw toevlucht. Ook de Levieten brachten het gehele volk tot kalmte door te zeggen: Weest stil, want deze dag is heilig, weest dus niet verdrietig. Toen ging het gehele volk heen, om te eten en te drinken, en een deel ervan te zenden en grote vreugde te bedrijven, want zij hadden begrepen wat men hun had bekendgemaakt. En op de tweede dag kwamen de familiehoofden van het gehele volk, de priesters en de Levieten bij de schriftgeleerde Ezra bijeen, en wel om de woorden der wet te onderzoeken. Toen vonden zij in de wet, die de Here door de dienst van Mozes gegeven had geschreven, dat de Israëlieten op het feest in de zevende maand in loofhutten zouden wonen en dat zij een bevel zouden uitvaardigen en laten omroepen in al hun steden en in Jeruzalem van deze inhoud: Trekt uit naar het gebergte en brengt het loof van de olijfboom, van de olijfwilg, van de mirt, van palmen, van loofbomen, om loofhutten te maken, zoals geschreven staat. Het volk trok uit en zij haalden het loof en maakten zich loofhutten, ieder op zijn dak, en in hun hoven en in de voorhoven van het huis Gods en op het plein van de Waterpoort en op het plein van de Efraimpoort. De gehele gemeente van hen die uit de ballingschap waren teruggekeerd, maakte loofhutten en woonde in de loofhutten. Zo hadden de Israëlieten niet gedaan sinds de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op die dag. Er heerste dus zeer grote vreugde. Uit het boek der wet Gods las men elke dag voor, van de eerste tot de laatste dag; zij vierden zeven dagen feest, en op de achtste dag was er een feestelijke vergadering, volgens het voorschrift.

Wat betekent dit?

Voorlezen van de wetLessen over geestelijke opwekking:

  1. Het gehele volk kwam als één man bijeen voor de Waterpoort. De muur was gebouwd, de deuren aangebracht en de wachters waren aangesteld, maar het volk verlangde meer.
    Zijn wij tevreden met alleen stoffelijke of materiële dingen, of verlangen wij ook naar geestelijke zegeningen?
  2. Men verzocht Ezra het boek der wet te brengen.
    Echte opwekking is niet in de eerste plaats gebaseerd op Ezra of Nehemia of een voorganger, máár op het Woord van God, de Bijbel.
    Het gehele volk hoorde aandachtig naar het boek der wet. De interesse voor Gods woorden is zeer groot.
    In die tijd was de Aramese taal, de voertaal, waarin veel moeilijke woorden voorkwamen. Vandaar dat de Levieten zich onder het volk begaven om de moeilijke woorden uit te leggen.
    Men heeft dienaren nodig, die het land doortrekken om op een eenvoudige wijze het Evangelie te vertellen, in plaats van het staan op een kansel. Ezra werd bijgestaan door de Levieten, die zich onder het volk begaven. Zij vervulden een belangrijke taak.

    Echte opwekking gaat niet uit van gevoel of emotie, maar volgt op het verstaan van Gods Woord. De Heilige Geest overtuigt en verklaart Gods Woord.

    1. Het volk gaf antwoord op het voorlezen van de wet. Vergelijk dit met 1 Koningen 18:21.
    2. Let ook op de houding van het volk. Met het gelaat ter aarde. Zie ook 2 Kronieken 7:14. Daar gaat het geaard met een hoogmoedig hart, dat niet wil buigen, daar ontvangt het ook geen zegen.

      Opwekking komt daar, waar de mensen in de geest van ootmoed, zondaar willen zijn voor Gods aangezicht en de zonden willen belijden!

    3. Het volk weende. Wees niet te bang voor emoties en gevoelens, God sprak tot het hart, maar ook tot hun gevoel.
      Het wenen na de bekering is toegestaan, zolang het niet blijft voortduren. Want de vreugde is in de Here, Die de toevlucht is.
  3. Let op de gevolgen van deze geestelijke opwekking:
    1. Het zenden van een deel aan hen voor wie niets bereid is.
      Echte opwekking is niet egoïstisch, maar men deelt alles gezamenlijk. Het uitdelen van de vreugde in de Here God, dus het verkondigen van het Evangelie brengt grote vreugde!
      Eén van de dingen van de christenen is wanneer hij of zij zaait en uitdraagt, dit de christen niet lediger maakt, maar het hart voller maakt en blijder!
    2. Het bracht grote vreugde: wees niet verdrietig, er is een tijd om te wenen en een tijd om in te gaan tot het feest van God om vreugdevol te zijn.
    3. Het bracht nieuwe gehoorzaamheid na het lezen van de wet.
      Het loofhuttenfeest was gedurende 1000 jaar verwaarloosd. Al die tijd stond het geschreven in het boek der wet, maar niemand had het ontdekt. Zelfs in de dagen van David en Salomo werd het loofhuttenfeest niet gevierd. Het ontdekken van de verwaarloosde leerstukken en opdrachten ging samen met een echte opwekking.
      Echte gehoorzaamheid aan Gods Woord en opdrachten gaan gepaard met grote vreugde.

      Niemand zal zich voor de hemelse Rechter ooit op zijn/haar onwetendheid kunnen beroepen, want hij/zij was en is in staat Gods Woord, de Bijbel, te lezen onder inzicht van de Heilige Geest als hij/zij daarom bidt.

      Men kan Bijbelstudies, boeken en commentaren lezen om meer inzicht en duidelijkheid in de Bijbel te krijgen en om de Bijbel te begrijpen. Men kan medegelovigen om onderricht vragen.

      "Mijn volk", zegt God, "gaat te gronde door gebrek aan kennis" Hosea 4:6.

      Niets haat satan meer dan de Bijbelse voorlichting en gehoorzaamheid aan de Bijbel en het onderhouden van Gods geboden.

Bijbel lezen, Gebed en Toewijding

Nadat het volk zeven dagen feest gevierd had rondom het Woord van God kwam er een feestelijke vergadering.
Er is veel te weinig feestvreugde binnen de Gemeente van Jezus Christus. Een opwekking is ook wanneer binnen de Gemeente van Christus Gods Woord gaat werken, zodat de gemeenteleden gecorrigeerd en gehoorzaam worden.

Terug naar topTerug naar boven


Dag van berouw en gebed - Nehemia 9

Op de vierentwintigste dag nu van deze maand kwamen de Israëlieten bijeen, vastende en in rouwgewaad en met aarde op het hoofd. De nakomelingen van Israël scheidden zich af van alle vreemdelingen en zij stelden zich op en deden belijdenis van hun zonden en van de ongerechtigheden hunner vaderen. Toen zij op hun plaats waren gaan staan, las men voor uit het boek der wet van de Here, hun God, een vierde deel van de dag; en een ander vierde deel deden zij belijdenis en bogen zich neer voor de Here, hun God. Op de verhoging der Levieten stonden Jesua, Bani, Kadmiel, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Kenani; zij riepen met luider stem tot de Here, hun God. En de Levieten Jesua, Kadmiel, Bani, Chasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja en Petachja zeiden: Staat op, prijst de Here, uw God, van eeuwigheid tot eeuwigheid; ja, men prijze uw heerlijke naam, die verheven is boven alle lof en prijs. U toch bent alleen de Here, U hebt de hemel, de hemel der hemelen en al zijn heer gemaakt, de aarde en al wat daarop is, de zeeen en al wat daarin is; ja, U geeft hun allen het leven, en het heer des hemels buigt zich voor U neder. U toch bent de Here, de God, die Abram verkoren, hem uit Ur der Chaldeeen geleid en hem de naam Abraham gegeven hebt. U hebt zijn hart getrouw bevonden voor uw aangezicht en met hem een verbond gesloten, om het land van de Kanaanieten, de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Jebusieten en de Girgasieten te geven aan zijn nageslacht. En U hebt uw woorden gestand gedaan, want U bent rechtvaardig. Ook hebt U de ellende van onze vaderen in Egypte gezien en hun geroep bij de Schelfzee gehoord; U hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, aan al zijn dienaren en aan al het volk van zijn land, want U wist, dat zij misdadig tegen hen handelden, en U hebt U een naam gemaakt zoals die heden is. U hebt voor hen de zee gespleten, zodat zij op het droge midden door de zee trokken, maar hun vervolgers hebt U in de diepte geworpen als een steen in geweldige wateren. Met een wolkkolom hebt U hen des daags geleid en met een vuurkolom des nachts, om hun op de weg die zij gingen, licht te geven. Op de berg Sinai bent U neergedaald en hebt met hen gesproken uit de hemel, en hun rechtvaardige verordeningen, betrouwbare wetten, goede inzettingen en geboden gegeven. Ook hebt U hen uw heilige sabbat doen kennenen hun geboden, inzettingen en een wet gegeven door de dienst van uw knecht Mozes. Brood uit de hemel hebt U hun gegeven voor hun honger, en water voor hen uit een rots doen komen voor hun dorst. Ook hebt U hun bevolen het land in bezit te gaan nemen, dat U gezworen had hun te zullen geven. Doch zij, onze vaderen, handelden misdadig en verhardden hun nek en luisterden niet naar uw geboden; zij weigerden te horen en gedachten de wonderen niet die U onder hen gedaan had, en verhardden hun nek en stelden in hun wederspannigheid een hoofd aan, om terug te keren tot hun slavernij. Maar U bent een God van vergeving, genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en hebt hen niet verlaten. Zelfs toen zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden en zeiden: dit is uw god, die u uit Egypte heeft gevoerd, en, toen zij grote wandaden bedreven, hebt U toch in uw grote barmhartigheid hen niet in de woestijn verlaten. De wolkkolom week niet van boven hen des daags, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hun op de weg die zij gingen, licht te geven. En U hebt hun uw goede Geest gegeven, om hen te onderrichten, en uw manna hebt U aan hun mond niet onthouden, en U hebt hun water gegeven voor hun dorst. Ja, veertig jaar hebt U hen in de woestijn onderhouden, zij hebben geen gebrek gehad, hun klederen zijn niet versleten en hun voeten niet gezwollen. U hebt hun koninkrijken en volken gegeven en die als randgebied aan hen toebedeeld; zij hebben het land van Sichon, de koning van Chesbon, in bezit genomen, en het land van Og, de koning van Basan. Ook hebt U hun zonen talrijk gemaakt als de sterren des hemels en hen gebracht naar het land, dat U hun vaderen bevolen hadt in bezit te gaan nemen. En hun zonen zijn gekomen en hebben het land in bezit genomen en U hebt de inwoners van het land, de Kanaanieten, voor hen vernederd en die in hun macht gegeven, zowel hun koningen als de volken van het land, om met hen te doen naar hun welgevallen. Zij hebben versterkte steden en vette grond veroverd en huizen, vol met allerlei goederen, uitgehouwen waterbakken, wijngaarden, olijfbomen en vruchtbomen in menigte in bezit genomen. En zij aten en werden verzadigd en welgedaan en leefden weelderig door uw grote goedheid.

Wat betekent dit?

Nehemia 9 vertelt ons dat het volk komt tot een ware aanbidding en nieuwe toewijding aan God. Eén vierde deel van de dag lezen zij uit Gods Woord. Een ander vierde deel van de dag belijden zij hun zonde.
Nehemia 9 bevat het langste gebed uit de gehele Bijbel.
Het is interessant om Nehemia te vergelijken met Ezra 9 en Daniël 9.

  1. Voordat de bidstond begon, werden de zonden beleden en weggedaan. De afscheiding van vreemdelingen was volkomen.
  2. De Levieten stonden op houten verhogingen en gingen de mensen voor in het gebed:
    1. Bid voor de spreker(s) van de conferentie.
    2. Bid voor de mededelingen, de onderwerpen in de dienst.
  3. Het gebed begint met ware aanbidding. De mensen buigen (hun hart ootmoedig) voor God. Iedereen heeft deel aan het gebed.
    Staat op, prijst de Here, uw God. Betrek de mensen in het gebed!
  4. Het accent in het gebed valt op de barmhartigheid en de rechtvaardigheid van God, geopenbaard in de historie van de kinderen van Israël. Let op de woorden: "U Hebt ......"

Bidstond

1e ronde: Schuldbelijdenis. Iedereen doet in stilte persoonlijke zonde belijdenis.

2e ronde: Iedereen bidt in stilte de eigen gebedslast.

3e ronde: Nu wordt hardop de gebeden in de bidstond uitgesproken.

God leidde Zijn volk uit Egypte en leidde hen in de woestijn des daags met een wolkkolom, en des nachts met een vuurkolom om licht te geven. De gelovige is uit de duisternis geleid door de Here Jezus Christus, en indien de gelovige het toelaat, wordt de gelovige door de inwoonde Heilige Geest geleid naar de plaats waar God hem of haar wil hebben in het Lichaam van Christus. De Israëlieten hadden de vrije keus om zich te laten leiden door God en de kolom naar het beloofde land Israël. Zo ook heeft de gelovige de vrije keus zich over te geven aan de werking van de Heilige Geest en de werken van de Geest te doen (Galaten 5:22 Maar de vrucht van de (Heilige) Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.) en zich te laten leiden naar de plek waar de Here God hem of haar wil hebben.

Echter de vaderen der Israëlieten gingen misdadig handelen en zij verhardden hun nek en luisterden niet naar Uw geboden. En God gaf hun over aan slavernij. Zo ook met de gelovige. De gelovige dient Gods geboden te onderhouden en zich te laten leiden door de Heilige Geest. Laat de gelovige dit na, dan bedroeft hij/zij de Heilige Geest (Efeze 4:30) en tenslotte dooft men de Heilige Geest. Met als gevolg dat de Heilige Geest niet meer van zonden kan overtuigen en de gelovige weer om invloed komt van de machten der duisternis en satan en God hem/haar overgeeft aan het wereldse leven met al zijn lijden, pijn en verdriet.
Toont de gelovige berouw en spijt, dat mag hij/zij weer als de verloren zoon terugkeren bij de Vader en dient hij/zij weer open te stellen voor de werking van de Heilige Geest.

Veertig jaar lang heeft de Here God zijn volk in de woestijn van eten en drinken voorzien in de woestijn. Ook de gelovige, die voor God werkt op de plaats door God aangesteld, mag zich verzekerd vinden dat de Here God hem/haar van al het benodigde zal voorzien (Matt. 6:25-34).

Terug naar topTerug naar boven


Belofte om de Wet te onderhouden - Nehemia 10

Hun zegel zetten eronder: de stadhouder Nehemia, de zoon van Chakalja, en Sidkia, ....
En het overige volk, de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempelhorigen en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden om de wet Gods te onderhouden, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, al wie tot de jaren des onderscheids gekomen was, sloten zich aan bij hun broeders, hun voornaamsten, en verplichtten zich onder zelfvervloeking en onder ede, om te wandelen naar de wet van God, die door de dienst van Mozes, de knecht Gods, gegeven was, en om naarstig te onderhouden al de geboden, verordeningen en inzettingen van de Here, onze Here. Verder verplichtten wij ons, dat wij onze dochters niet zouden geven aan de volken des lands en hun dochters niet tot vrouw zouden nemen voor onze zonen. Ook dat wij, wanneer de volken des lands koopwaar en allerlei koren op de sabbatdag ten verkoop zouden brengen, van hen op de sabbat of op een heilige dag niet zouden kopen, en dat wij in het zevende jaar het land braak zouden laten liggen en geen enkele schuld zouden invorderen. Voorts hebben wij de volgende verplichtingen op ons genomen: om onszelf op te leggen het derde deel van een sikkel per jaar voor de dienst van het huis onzes Gods; voor het toonbrood, het dagelijks spijsoffer en het dagelijks brandoffer, voor de sabbatten, de nieuwe maanden, de feesten en voor de heilige gaven, voor de zondoffers om over Israël verzoening te doen, en voor allerlei werk in
Ook hebben wij, de priesters, de Levieten en het volk, het lot geworpen over de levering van het hout, te brengen naar het huis van onze God, volgens onze families, op vastgestelde tijden, jaar op jaar, om het te verbranden op het altaar van de Here, onze God, zoals in de wet is voorgeschreven. Ook verplichtten wij ons de eerstelingen van onze akker en de eerstelingen van alle boomvruchten, jaar op jaar, naar het huis des Heren te brengen; eveneens de eerstgeborenen van onze zonen en van ons vee, zoals in de wet is voorgeschreven, de eerstgeborenen van onze runderen en van ons kleinvee, te brengen naar het huis van onze God tot de priesters, die dienst doen in het huis van onze God. De eerstelingen van ons gerstemeel (de ons opgelegde heffingen) en van alle boomvruchten, most en olie zullen wij tot de priesters, naar de vertrekken van het huis onzes Gods, brengen, en de tienden van onze akker tot de Levieten, en zij, de Levieten, zullen de tienden heffen in al onze landbouwsteden. Een priester, een zoon van Aäron, zal de Levieten vergezellen, wanneer de Levieten de tienden heffen, en de Levieten zullen een tiende van de tienden brengen naar het huis van onze God, naar de vertrekken van het voorraadhuis. Want naar die vertrekken moeten de Israëlieten en de Levieten de heffing van koren, most en olie brengen; daar bevindt zich het heilige gerei en zijn de dienstdoende priesters, de poortwachters en de zangers. Het huis van onze God willen wij niet aan zijn lot overlaten.

Wat betekent dit?

Het lezen van het Boek der Wet en het gebed leidt tot nieuwe praktische toewijding

Nehemia 10 geeft een beschrijving van de verplichtingen.
Zij zetten hun zegel (onder alle aangegaande verplichtingen) van Nehemia tot al degene, die aan de jaren des onderscheids toe.
Het is niet een mondeling verbond. Hun verbond is zulk vast besluit, dat zij besluiten het op schrift vast te stellen. Zij verplichten zich:

  1. Om te wandelen naar de Wet van God.
  2. Om zich af te scheiden van de volken des lands.
  3. Om de sabbat als een heilige dag te eerbiedigen en te beschouwen.
  4. Om het zevende jaar, het land braak te laten liggen, zie Leviticus 25.
  5. Om te offeren en te zorgen voor het levensonderhoud van de Levieten en het huis van God (het geven van de tienden).
    Voor de gemeente van de Here Jezus Christus betekent dit, dat de gelovigen zich verplichten (gezamenlijk) de arbei(st)ers van God financieel in zijn/haar levensonderhoud te voorzien evenals de benodigde materialen voor deze dienst.

Terug naar topTerug naar boven


Nehemia beeld van de Here Jezus Christus en de lessen voor de gelovigen, Nehemia 11

De oversten van het volk gingen te Jeruzalem wonen, maar het overige volk wierp het lot, om een op de tien aan te wijzen in Jeruzalem, de heilige stad, te gaan wonen, en negen tienden in de andere steden. Het volk nu prees al de mannen, die vrijwillig in Jeruzalem gingen wonen.Dit zijn de hoofden van het gewest, die zich in Jeruzalem vestigden; (in de steden van Juda woonden, ieder op zijn bezit, in hun steden: Israël, de priesters, de Levieten, de tempelhorigen en de nakomelingen van Salomo's knechten). Te Jeruzalem nu woonden .......

Wat betekent dit?

Nehemia 11 en 12 geven de erelijsten en geslachtsregisters van de inwoners van Jeruzalem, Juda, de priesters en de Levieten.

De vrijwilligers:Ondanks de hernieuwde zegen, die God aan Jeruzalem had geschonken, waren er maar weinigen die in Gods stad wilde wonen.
Waarom niet?
  1. Wonen in de Jeruzalem eiste een nauwgezette wandel. Jeruzalem is een heilige stad. In de heilige stad mag men niet onheilig wandelen. Dit betekent dus dat er allerlei wetten waren, die onderhouden moesten worden.
Geestelijk

Indien men te kennen wil geven dat men bij de gemeente van de Here Jezus Christus behoort, eist dit een nauwgezette en heilige levenswandel!

  1. Jeruzalem werd door zijn naaste buren gehaat. Het was makkelijker in een van de omliggende steden te wonen.
Geestelijk

De gelovige, die zich verbindt aan de dienst van de Here Jezus Christus, kan de haat van de wereld verwachten en de aanvallen van satan en de machten der duisternis, dat kan grote strijd betekenen Joh. 15:18-20 en Hebr. 12:1-3.

  1. Aangenamer is het wonen buiten Jeruzalem als men materialistisch is ingesteld. Binnen de stad kreeg men weinig materiële voordelen, maar een rijk geestelijk leven. Matt. 6:33: "Zoek eerst het Koninkrijk Gods".
    Vaak in noodsituaties komt het aan op de vrijwilligers: Richteren 5:2.
    Vele vrijwilligers van de stam Benjamin en Juda woonden in Jeruzalem.
    De priesters leiden het werk binnen de tempelpoorten.
    De Levieten zorgden voor het huis aan de buitenzijde.
    De vrijwilligers hadden ieder een eigen taak.
Geestelijk

De priester (iedere gelovige) heeft binnen het lichaam van de Here Jezus Christus een taak. De een binnen de kerk. Een ander buiten de kerk, bijvoorbeeld evangelisatie, koffiebar. Tegenwoordig is het niet meer zo gemakkelijk als Bijbelse gelovige te werken binnen de (vrijzinnige) kerk. Toch dient men als gelovige te blijven waar God je plaatst.

Skelet
1 Cor. 12:12, 14-15, 18-20: Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; ... Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden. Indien de voet zeggen zou: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam? ... Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild. Indien zij alle één lid vormden, waar bleef het lichaam? Maar nu zijn er vele leden, doch slechts één lichaam.
Ieder dient op de plaats te werken, die hem of haar door de Here God is aangewezen, want anders werkt degene die niet op zijn / haar plaats is verlamd op de omgeving.
Als de rechter bovenarm spier zich op de plaats bevindt van het rechter bovenbeen, dan is de gehele boven- en onderarm en de rechterhand verlamd, en de rechter bovenbeen heeft dan twee spieren, die veel te sterk aan het bovenbeen trekken en je krijgt een conflict.
Als het kootje in de linkerhand de plaats inneemt van het linker spaakbeen, dan is het spaakbeen veel te slap en niet berekend voor zijn taak. Een ieder heeft van God talenten (gaven) ontvangen al naar gelang zijn/haar kracht, we dienen ons te vinden op de plaats, die de Here God ons binnen het lichaam van Christus toewijst, anders kan de Heer het werk niet zegenen en functioneert het lichaam niet goed, en komen er geen ongelovigen tot de Here Jezus Christus tot bekering.

Terug naar topTerug naar boven


Inwijding van Jeruzalem - Nehemia 12

Dit zijn de priesters en de Levieten ....

Van de Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, Jochanan en Jaddua, de familiehoofden ingeschreven; en de priesters tijdens de regering van de Pers Darius. De zonen van Levi, de familiehoofden, werden ingeschreven in het boek der kronieken, en wel tot de dagen van Jochanan, de zoon van Eljasib. De hoofden der Levieten waren: Chasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiel; hun broeders, die tegenover hen stonden, om, afdeling naast afdeling, overeenkomstig het gebod van David, de man Gods, lof en prijs aan te heffen, waren: Mattanja, Bakbukja en Obadja. Poortwachters waren Mesullam, Talmon en Akkub, die de wacht hielden bij de voorraadkamers der poorten. Zij waren tijdgenoten van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Josadak, van de landvoogd Nehemia en van de priester-schriftgeleerde Ezra. Bij de inwijding van Jeruzalems muur riep men de Levieten uit al hun woonplaatsen op en deed hen naar Jeruzalem komen, om de feestelijke inwijding te verrichten, met lofzangen en liederen bij cimbalen, harpen en citers. De zangers nu kwamen bijeen zowel uit de omstreken van Jeruzalem als uit de dorpen der Netofatieten, en uit Bet-haggilgal en de velden van Geba en Azmawet; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem. En de priesters en de Levieten reinigden zich en zij reinigden het volk, de poorten en de muur. Toen liet ik de oversten van Juda de muur beklimmen en stelde twee grote zangkoren op om in optocht voort te trekken; een naar rechts over de muur in de richting van de Aspoort. Daarachter gingen Hosaaja, en de helft der oversten van Juda; en Azarja, Ezra en Mesullam; Jehuda, Benjamin, Semaja en Jirmeja; en van de priesterzonen, met trompetten: Zekarja, de zoon van Jonatan, de zoon van Semaja, de zoon van Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf; en zijn broeders: Semaja, Azarel, Milalai, Gilalai, Maai, Netanel, Juda en Chanani, met de
muziekinstrumenten van David, de man Gods. De schriftgeleerde Ezra ging voor hen uit. Langs de Bronpoort beklommen zij, recht tegenover zich, de treden van de stad Davids, waar de muur omhoog gaat, langs het paleis van David, en zij trokken tot aan de Waterpoort in het oosten. Het tweede zangkoor, dat in tegenovergestelde richting ging en dat ik met de helft van het volk volgde, trok over de muur langs de Bakoventoren tot aan de brede muur, langs de Efraimpoort, de Oude Poort en de Vispoort, en langs de Chananeltoren en de Meatoren tot de Schaapspoort; zij bleven staan bij de Gevangenpoort. Toen stelden de beide zangkoren zich in het huis Gods op; ook ik en de helft der leiders met mij en de priesters Eljakim, Maaseja, Minjamin, Michaja, Eljoenai, Zekarja en Chananja, met trompetten; voorts Maaseja, Semaja, Elazar, Uzzi, Jochanan, Malkia, Elam en Ezer. En de zangers lieten zich horen onder leiding van Jizrachja. Men bracht op die dag talrijke offers; en men verheugde zich, want God had hen verheugd met grote vreugde; ook de vrouwen en de kinderen verheugden zich, zodat de vreugde van Jeruzalem van verre gehoord werd. Te dien dage werden er mannen aangesteld over de kamers voor de voorraden, voor de heffingen, voor de eerstelingen en voor de tienden, om daarin bijeen te zamelen, naar verhouding van de akkers der steden, de wettelijke bijdragen voor de priesters en voor de Levieten; want Juda verheugde zich over de dienstdoende priesters en Levieten. Zij droegen immers zorg voor de dienst van hun God en voor de reinigingen; evenzo de zangers en de poortwachters, overeenkomstig het gebod van David en zijn zoon Salomo. Want in de dagen van David en Asaf, in de tijd van weleer,ligt de oorsprong van de zangers, van het loflied en de lofzangen aan God. Geheel Israël gaf in de dagen van Zerubbabel en in de dagen van Nehemia de bijdragen voor de zangers en voor de poortwachters, naar de behoeften van elke dag; zij schonken heilige gaven aan de Levieten, en de Levieten schonken ze aan de zonen van Aäron.

Wat betekent dit?

De inwijding van de muur van Jeruzalem

Het eerste gedeelte van Nehemia 12 geeft de lijst van hen, die uit Babel zijn teruggekeerd. God liet de ware Joden met hun namen optekenen tot hun gedachtenis (Ezra 2:12 en 3:2). De getrouwen worden door God NIET vergeten:

  1. De inwijding van de muur droeg het karakter van een feest tot Gods eer (Psalm 120). Van heinde en ver kwamen Levieten en zangers om dit feest bij te wonen.
  2. Let op de reiniging, beschreven in vers 30. Wij komen als zondaars om onze Verlosser te aanvaarden. Zij echter, die heilig leven, mogen dat leven stellen in des Herens hand.
    Niet alleen de priesters en Levieten reinigden zich, ook het GEHELE volk en daarna werd de stad gereinigd door over de muur rondom Jeruzalem te gaan.
    Alle gelovigen MOETEN zich REINIGEN, alvorens tot God te naderen in het gebed. Eerst schuldbelijdenis van zonden. Echter ook zalen en gebouwen, waar de Gods dienst (kerkdienst, koffiebar, evangelisatie) gehouden wordt, dient eerst gereinigd te worden, alvorens de dienst kan aanvangen. Het geldt ook voor je eigen huis. Geen afgodenbeeldjes, zoals Boeddha beeldjes, Maria beeldjes, Kruis beeldjes, maskers, horoscopen, enzovoort.
    Op de reiniging volgt het zingen van de zangkoren onder leiding van Ezra en Nehemia.
  3. Men bracht die dag talrijke offers. In vers 43 lezen wij tot vijf maal toe over de grote vreugde. Psalm 126:2 "Onze mond werd vervuld met lachen, onze tong met gejuich".
    Toen moesten de heidenen (de ongelovigen) erkennen: De Here heeft grote dingen bij hen gedaan. De ongelovige moeten erkennen als zij zien dat de gelovige de oude levenswandel heeft verlaten (niet meer drinkt, niet meer rookt, liefdevol is, zorgzaam is geworden, en de werken van de Geest doet), dat dit het werk is van de Here.

Nehemia: Een beeld van de Here Jezus Christus

  1. Nehemia 1: In zijn gebed
  2. Nehemia 2: In het zoeken naar het verlorene
  3. Nehemia 3: In zijn werk
  4. Nehemia 4: In zijn strijd met satan
  5. Nehemia 5: In zijn onberispelijke wandel
  6. Nehemia 6: Hij sloot geen compromis met de vijand (satan)
  7. Nehemia 7: In zijn volbrachte werk
  8. Nehemia 8: In zijn offergave en gehoorzaamheid aan Gods Wil
  9. Nehemia 9 en 10: In trouw en nederigheid
  10. Nehemia 11 en 12: In zijn vrijwilligheid
  11. Nehemia 13: In zijn werk en wijze van optreden.

Terug naar topTerug naar boven


De ijver van Nehemia voor de Wet - Nehemia 13

Te dien dage werd uit het boek van Mozes voorgelezen ten aanhoren van het volk, en men vond daarin geschreven, dat geen Ammoniet of Moabiet ooit in de gemeente Gods mocht komen, omdat zij de Israëlieten niet met brood en met water waren tegemoet gekomen en tegen hen Bileam gehuurd hadden om hen te vervloeken; maar onze God veranderde de vervloeking in een zegen. Zodra zij dan de wet gehoord hadden, zonderden zij al wie van gemengde afkomst waren, van Israël af. Nu had voor deze tijd de priester Eljasib, die aangesteld was over de vertrekken van het huis van onze God, en die een bloedverwant van Tobia was, voor deze een groot vertrek ingericht, waarin men tevoren het spijsoffer, de wierook, het gerei, en de tienden van het koren, van de most en van de olie, het wettige aandeel der Levieten, der zangers en der poortwachters, en de heffing der priesters placht te brengen. Doch ik was gedurende dit alles niet te Jeruzalem, want in het tweeëndertigste jaar van Artachsasta, koning van Babel, was ik naar de koning gegaan. Maar na verloop van tijd vroeg ik de koning om verlof; en toen ik te Jeruzalem kwam, bemerkte ik het kwaad dat Eljasib begaan had, door voor Tobia een kamer in te richten in de voorhoven van het huis Gods. Ik was er zeer over ontstemd en wierp al het huisraad van Tobia het vertrek uit. Op mijn bevel reinigde men de vertrekken, en ik bracht het gerei van het huis Gods, het spijsoffer en de wierook daarin terug. Ook vernam ik, dat de bijdragen voor de Levieten niet gegeven waren, en dat de Levieten en de zangers, die de dienst verrichtten, ieder naar zijn eigen akker de wijk genomen hadden. Toen onderhield ik de leiders hierover en zei: Waarom is het huis Gods aan zijn lot overgelaten? Ik bracht hen weer bijeen en stelde hen op hun post. En geheel Juda bracht de tienden van het koren, van de most en van de olie weer naar de voorraadkamers. Ik belastte met de zorg over de voorraadkamers de priester Selemja, de schriftgeleerde Sadok en van de Levieten Pedaja; en onder hun leiding stond Chanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Mattanja. Want zij werden betrouwbaar geacht, en het was hun taak, aan hun broeders uit te delen. Gedenk mij, mijn God, hierom en wis de weldaden niet uit, die ik aan het huis van mijn God en aan zijn instellingen bewezen heb. In die dagen zag ik in Juda mensen, die wijnpersen traden op de sabbat en vrachten koren binnenhaalden en op ezels laadden, alsook wijn, druiven en vijgen en allerlei last, en deze op de sabbatdag naar Jeruzalem brachten. Ik gaf een waarschuwing, toen zij levens- middelen verkochten.De Tyriers die daar woonden, brachten vis en allerlei koopwaar en verkochten ze op de sabbat aan de Judeeërs, zelfs in Jeruzalem. Toen onderhield ik de edelen van Juda hierover en zei tot hen: Wat doet u daar voor slechts, dat u de sabbatdag ontheiligt? Hebben ook uw vaderen niet zo gedaan en heeft onze God niet daarom al deze rampspoed over ons en over deze stad gebracht? Zult uj nu nog heviger toorngloed over Israël brengen door de sabbat te ontheiligen? Zodra het dan in de poorten van Jeruzalem donker werd, voor de sabbat, sloot men op mijn bevel de deuren, en ik beval, dat men ze niet zou openen tot na de sabbat. En ik stelde enige van mijn knechten bij de poorten op; er zou geen vracht op de sabbatdag binnenkomen. Toen overnachtten de handelaars en de verkopers van allerlei koopwaar een en andermaal buiten Jeruzalem. En ik waarschuwde hen en zei tot hen: Waarom overnacht u voor de muur? Indien u dat nog eens doet, zal ik de hand aan u slaan. Van die tijd af kwamen zij niet meer op de sabbat. Ook beval ik de Levieten, dat zij zich zouden reinigen en de poorten zouden komen bewaken, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mij ook hierom, mijn God, en ontferm U over mij naar uw grote goedertierenheid. Ook zag ik in die dagen Judeeërs, die Asdoditische, Ammonitische en Moabitische vrouwen gehuwd hadden; van hun kinderen sprak de helft Asdoditisch en zij waren niet in staat Judees te spreken, maar wel de taal van dit of dat volk. Ik onderhield hen hierover, vervloekte hen, sloeg enigen van hen, trok hun de haren uit, en bezwoer hen bij God: U mag uw dochters niet aan hun zonen geven en geen van hun dochters voor uw zonen of voor uzelf nemen! Heeft niet hierdoor Salomo, de koning van Israël, gezondigd? Hoewel onder de vele volken geen koning was als hij en hij een beminde was van zijn God, en God hem tot koning over geheel Israël had aangesteld, deden de vreemde vrouwen zelfs hem zondigen. Moeten wij dan van u horen, dat u al dit grote kwaad doet en ontrouw bent tegenover onze God door vreemde vrouwen te huwen? Een van de zonen nu van Jojada, de zoon van de hogepriester Eljasib, was schoonzoon van de Choroniet Sanballat. Daarom joeg ik hem van mij weg. Gedenk, mijn God, dat zij het priesterschap en het verbond van het priesterschap en van de Levieten hebben bevlekt. Ik reinigde hen van al het vreemde; en ik trof beschikkingen voor de taak van de priesters en van de Levieten, ieder in zijn werk, eveneens voor levering van het hout op vastgestelde tijden en voor de eerstelingen. Gedenk mij, mijn God, ten goede.

Wat betekent dit?

Tobia, de vijand, de Ammoniet als eregast in de tempel

  1. Er was in Tobia nog niets veranderd. De vijandschap van zijn voorouders leefde in hem voort. Zie Joh. 3:6 en Rom. 8:7.
    Tobia was een bloedverwant van de priester Eljasib. Dit hield echter nog niet in dat hij ook geest verwant was!
  2. Tobia werd aangenomen, omdat hij geestig en joviaal was. Natuurlijke factoren spelen soms een belangrijker rol dan geestelijke.
    Máár wat vraagt God ? God vraagt geestelijke mensen!
  3. Op de dag van de inwijding der muren, hadden ze Deuteronomium 23 gelezen. Later waren zij dit vergeten.

De reactie van Nehemia

  1. Nehemia doet denken aan de Here Jezus, Die de tempel reinigde en schoon veegde.
  2. Nehemia maakt GEEN compromis. Noch met Tobia, noch met Sanballat. Hij maakte een zeer bewuste scheiding met de vijand. Achter zijn handelwijze stonden ook mensen, die Nehemia hielpen.

Het onrecht de Levieten aangedaan

  1. Alles was geregeld in het verleden, het was zelfs op schrift gesteld en mooie beloftes waren gedaan.
    Maar de mensen bleven spoedig in gebreke. Deuteronomium 12:19: zegt dat het volk de Levieten moesten onderhouden. Zo ook dienen de gelovigen de kerk, zending en evangelisatie te onderhouden. Niet alleen in het begin als men pas tot het geloof is gekomen, NEEN, men dient zijn of haar verplichtingen die men aangaat ook na te komen.
    In vers 10 zien we, dat het volk hun plichten en beloften niet meer na kwamen en de Levieten niet onderhielden.
  2. Waarom werd het huis Gods aan zijn lot overgelaten?
    Levieten en zangers waren naar hun akkers teruggekeerd. Was dit een gebrek aan geloof hunnerzijds ? Ja, mede. Het is God, Die voor de fulltime dienstknecht zorgt en niet het volk. Men moet als Gods arbeider zien op God, NIET op mensen! Maar ook het volk is schuldig, zij waren hun aangegane verplichtingen en beloften niet nagekomen. De gelovigen dienen hun tienden te gegeven om Gods werk mogelijk te maken.
  3. Was het gebrek aan toezicht dat leidde tot het niet nakomen van het onderhoud der Levieten?
    Nehemia neemt zijn maatregelen.

De maatregelen van Nehemia

  1. Hij onderhield de leiders hierover. Want leiding geven is een grote verantwoordelijkheid. Kerkleiders en voorgangers hebben de verantwoordelijkheid en zorg over de gemeente en evangelisatie. Zij dienen de gelovigen aan te spreken op hun verantwoording en plichten. En het te onderbouwen.
  2. Nehemia bracht hen bijeen en stelde hen op hun post.
  3. Nehemia stelde mensen aan om zorg te dragen voor de voorraadkamers.
  4. Nehemia is zeer ontstemd en gooit al het huisraad van Tobia uit de voorhof van de tempel.

    De gelovige dient radicaal te breken met het zondige leven en al het kwade (Galaten 5:21 Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn:hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijenschap, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijken.) buiten te werpen en de werken van de Geest te doen (Galaten 5:22 Maar de vrucht van de (Heilige) Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.).

De sabbat werd niet in acht genomen

  1. Gods gebod omtrent de sabbat was men vergeten (Exodus 34:21; Deut. 5:14 en Jeremia 17:21). Zijn we de zondags rust vergeten?
  2. De mensen tegenover wie zij een getuigen moesten zijn, zagen alleen maar hun afval van God. Heilig je als gelovige de zondags rust, is er rust in je huis, of wordt er noest gearbeid met wassen, timmeren en huiselijk werk? Ga je net zo als de ongelovige boodschappen doen op de zondag en laat je anderen mensen voor jouw werken?
  3. Het optreden van Nehemia:
    1. Hij noemt het slecht en wijst op de straf, die op zulk een handelwijze volgt.
    2. Hij laat de deur sluiten.
    3. Hij toont zich ONVERZETTELIJK. De vijand houdt vol, maar Nehemia geeft niet toe.

Het gemengde huwelijk met vreemde vrouwen

  1. Zelfs in het huis van Eljasib, de hogepriester.
  2. Het was zonde, omdat zij geen acht sloegen op het licht dat zij hierover hadden ontvangen uit de geschiedenis van het volk.
  3. De kinderen zijn er de dupe van.
  4. Het optreden van Nehemia:
    1. Nehemia pakt de zonde NIET ZACHTJES aan.
    2. Nehemia herinnert aan Salomo (de koning) en de gevlogen van zijn ongehoorzaamheid.
    3. Nehemia laat hen DUIDELIJK ZIEN dat het ONTROUW is jegens God.

Waarom is het noodzakelijk TIENDEN te geven?

  1. Het is een erkenning dat ons bezit NIET van ons is, maar het bezit VAN GOD IS ! Maleachi 3:7-10
    Genesis 1:28: "Waarover wij door God als rentmeester(es) zijn aangesteld.
  2. In het Oude Testament was het volk Israël verplicht de priesters hun tiende te geven in verband met het levensonderhoud van de priesters. De priesters moesten op hun beurt hun tienden van deze tienden geven (aan de hogepriester). Geschiedde dit niet, dan moesten de priesters zelf werken en volgde de wetteloosheid van het volk, omdat er geen onderricht en les meer werd gegeven in de Wet van God. Met als gevolg dat God Zich van hen afkeerde en Zijn toorn over hen uitstortte en hen overgaf aan de macht der heidenen en zij in ballingschap werden afgevoerd uit het beloofde land, welke rijk was aan eten en drinken.
    Zo ook heden. Geven de gelovigen geen tienden (voor de Nieuwtestamentische gelovige geldt: zoveel (financieel; (gebruikte) kleding, speelgoed, dekens; vervoer) als mogelijk, zie Lucas 21:1-4) dan:
    1. Ontkent men dat alles wat men bezit en ontvangt van God is (immers werk hebben is toch ook een geschenk van God).
    2. Het loon voor de voorgangers en diakenen. Het gevolg is:
      - Het ontbreken van onderricht
      - Geen kennis van zonden, met wetteloosheid als gevolg
      - De gelovigen zelf ontvangen geen loon en worden als door het vuur heen gered, omdat er geen arbeid en vruchten waren.
    3. Geen levensonderhoud voor de zendelingen, evangelisten en arbeid(st)ers. Dus geen uitbreiding van het evangelie. Daardoor gaan er door deze schuld (jouw schuld ?) mensen verloren, want je bent mede verantwoordelijk voor de behoudenis van ongelovigen (gebed alleen is niet voldoende) en onderhoud van arbeiders en arbeidsters voor Gods werk. Immers je bent als wachter(es) aangesteld, zie Ezechiël 3 en 33. Het gevolg is:
      - Ongehoorzaam aan Gods bevel: Matt. 28:19 en Hand. 1:8
      - Je dooft tenslotte de werking van de Heilige Geest uit en de relatie met God wordt verbroken
      - Als je de Heilige Geests werking uitdooft, dan leeft je weer onder de invloed van de machten der duisternis en satan
      - Ongelovigen, die gered hadden kunnen worden, gaan voor eeuwig verloren en zullen branden in de poel des vuurs!

Terug naar topTerug naar boven


Handelingen 3:1-10

Petrus nu en Johannes gingen op naar de tempel tegen het uur des gebeds, dat is het negende. En een man, die verlamd was van de schoot zijner moeder aan, zodat hij gedragen moest worden, zetten zij dagelijks bij de poort van de tempel, genaamd de Schone, om een aalmoes te vragen van de tempelgangers. Toen deze zag, dat Petrus en Johannes de tempel zouden binnengaan, verzocht hij om een aalmoes. En Petrus zag hem scherp aan, met Johannes, en zei: Zie naar ons. En hij hield zijn blik op hen gevestigd in de verwachting iets van hen te ontvangen.Maar Petrus zei: Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel! En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en terstond werden zijn voeten en enkels stevig, en hij sprong op en stond en liep heen en weer en hij ging met hen de tempel binnen, lopende en springende en God lovende. En al het volk zag hem lopen en God loven; en men herkende hem als degene, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone Poort van de tempel; en zij werden met verbazing en ontzetting vervuld, over wat met hem gebeurd was.

TerugTerug


1 Cor. 12: 12-30

Want gelijk het lichaam een is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, een lichaam vormen, zo ook Christus; want door een Geest zijn wij allen tot een lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met een Geest gedrenkt. Want het lichaam bestaat toch ook niet uit een lid, maar uit vele leden. Indien de voet zeggen zou: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam? En indien het oor zeggen zou: omdat ik niet het oog ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort het daarom niet tot het lichaam? Als het lichaam geheel en al oog was, waar bleef het gehoor? Als het geheel en al gehoor was, waar bleef de reuk? Nu heeft God echter de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild. Indien zij alle een lid vormden, waar bleef het lichaam? Maar nu zijn er wel vele leden, doch slechts een lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. Ja, veeleer zijn die leden van hetlichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk, en juist die delen van het lichaam, welke wij minder in ere houden, bekleden wij meer eervol, en onze minder edele leden worden met groter eer behandeld, doch onze edele leden hebben dat niet nodig. God heeft evenwel het lichaam zo samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen. Als een lid lijdt, lijden alle leden mede, als een lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde. U nu bent het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden. En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van genezing, bekwaamheid om te helpen, om te besturen, en verscheidenheid van tongen. Zijn zij soms allen apostelen? Allen profeten? Allen leraars? Allen krachten? Hebben soms allen gaven van genezing? Spreken soms allen in tongen? Vertolken zij soms allen? Streeft dan naar de hoogste gaven. En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert.

TerugTerug


Lucas 14:14-24

En u zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u terug te betalen. Want het zal u terugbetaald worden bij de opstanding der rechtvaardigen. Toen iemand van de disgenoten dat hoorde, zei hij tot Hem: Zalig wie brood eten zal in het Koninkrijk Gods. Hij zei tot hem: Iemand richtte een grote maaltijd aan en nodigde velen. En hij zond zijn slaaf uit tegen het uur van de maaltijd om tot de genodigden te zeggen: Komt, want het is nu gereed. En zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste zei tot hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die keuren; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd.Weer een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen. En de slaaf kwam terug en berichtte zijn heer deze dingen. Toen werd de heer des huizes toornig en zei tot zijn slaaf: Ga aanstonds de straten en stegen der stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier. En de slaaf zei: Heer, wat u hebt opgedragen, is geschied en nog is er plaats. En de heer zei tot de slaaf: Ga de wegen en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. Want ik zeg u: Niemand van die mannen, die genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven.

TerugTerug


Efeze 6:10-20

Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden. Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild desgeloofs ter hand, waarmede u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God. En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.

TerugTerug