God is kennis  

EVANGELISCHE ZENDING BEM DO BRASIL
Roterende Bijbelstudie

Vlag Israël Bijbelstudie Israël   6 punts ster, symbool van Israël

Bijbelstudie: Israël en de Bijbel

Is er nog een Gods plan voor Israël ?

Ja, beslist, de Bijbel is hierover zeer duidelijk. Laten we eens kijken in de Bijbelboeken Openbaring en Ezechiël. We beginnen in Openbaring 6, hier worden de eerste 6 zegels geopend. In vers 4 lezen we dat de vrede van de aarde wordt weggenomen. Ik denk dat we al aardig zien dat de vrede op de aarde begint te verdwijnen: Rebellie tegen ouders, de misdaad neemt enorm toe (mede door de drugs), oorlog na oorlog vanaf de 2e wereldoorlog: Korea, Vietnam, Irak, Noord-Ierland, de oorlogen in Afrika, in Joegoslavië, Ambon en Syrie.
Toch zijn de zegels nog niet vervuld, maar we kunnen er zeker van zijn dat het GAAT gebeuren. Na de vervulling van deze 6 zegels en rampspoeden, begint Openbaring 7.

Het zijn dus de Joden (de verzegelden uit Israël), die het Koninkrijk van God gaan verkondigen. In de 2e wereldoorlog hebben de Joden reeds een nummer op hun arm gekregen, maar tot op heden hebben zij NIET een zegel op hun voorhoofd gekregen, zoals beschreven in Openbaring 7 vers 3. Dat klopt ook, want eerst dienen de 6 zegels uit Openbaring 6 te worden geopend en vervuld te worden.
Daarna zullen de Joden het Koninkrijk Gods gaan verkondigen (immers de Gemeente van Jezus Christus is dan reeds opgenomen in de Hemel 1 Thessalonicenzen 4:15-17). Zij zullen dat verkondigen aan alle volken op de gehele wereld, daarom denk ik ook dat de Joden verstrooid zullen blijven onder de volkeren en niet alle Joden zullen terugkeren naar de staat Israël.
Nadat de 144.000 Joden het Koninkrijk Gods hebben verkondigd, zijn ALLE mensen op de hoogte van God, Die in de Hemel woont, en hebben ALLE mensen een keuze kunnen makenvóórGod of tegen God. Daarna laat God Zijn macht zien aan de mensheid, zoals beschreven in Openbaringen 8 en 9.

In Openbaring is de tempel herbouwd in Jeruzalem (de tempel zoals beschreven in Ezechiël 40-42), ook dit is nog niet gebeurd. Maar het betekent wel dat God Zelf er voor zal zorgen dat de Palestijnen geen stand kunnen houden in Jeruzalem. God Zelf zal zorgen dat de tempel in Jeruzalem herbouwd zal worden. Dat IS de toekomst en een feit.
In Openbaring 11 vers 2 lezen we dat de heidenen, misschien zijn dit de Moslims en Palestijnen, de heilige stad Jeruzalem 42 maanden, oftewel 3 1/2 jaar zullen vertreden. Dat is voor ons Christenen een rede om voorbede te doen voor de Joden, dat God hen zal beschermen in deze moeilijke periode van 3 1/2 jaar.
Na deze 3 1/2 jaar zend God twee getuigen:
Vers 6 spreekt van: "de macht om de hemel te sluiten". In Koningen 17:1 lezen we dat Elia de macht had om het te laten regenen of niet. We weten dat Elia niet gestorven is (maar ten hemel is opgevaren), dus lijkt het aannemelijk dat Elia één van deze twee getuige is. Wie is de tweede getuige. Dat laat zich makkelijke raden: Mozes had de macht over de wateren en allerlei plagen, zoals hij deze demonstreerde voor de farao in Egypte. Ook Mozes is door God weggenomen van de aarde. Het zijn Mozes en Elia die verschijnen aan Jezus bij Zijn verheerlijking Matteüs 17:1-5).
Deze 2 getuigen verkondigen met Gods gezag en met grote demonstratie van macht de tekenen van het Koninkrijk van God, om de mensen op aarde te overtuigen dat God werkelijk bestaat. Er is geen ontkomen aan voor de mens, zij zien de macht en kracht van God, Die in de Hemel woont.
Maar in vers 7 worden de 2 getuigen gedood en in vers 8 lezen we dat hun lijken zullen liggen in de grote stad, alwaar hun Here gekruisigd werd, dus in Jeruzalem.
Vers 9 verteld dat alle volken en natiën hun lijk zullen zien. We hoeven ons daarover niet te verbazen, immers met de huidige communicatie middelen is dat mogelijk. Zelfs de allerarmste in de wereld hebben een televisie. En reeds nu kunnen uit alle volken en natiën 24 uur per dag de klaagmuur zien in Jeruzalem middels Internet. En reeds is er Internet op televisie. Vele mensen hebben een mobiele telefoon met internet en sociale media. Dus langzaam maar ZEKER zien we alles in vervulling gaan.
Na 3 1/2 dag wekt GOD hen uit de dood, en ziet de HELE wereld dat de 2 getuigen uit de dood worden opgewekt en naar de hemel gaan. Dit is dus toekomst, evenals vers 13 waarbij een grote aardbeving een tiende van de stad Jeruzalem verwoest (Denk aan de aardbreuk bij Jeruzalem).

Hoe staat het heden met de Joden en de staat Israël ?

Laten we eens zien wat Ezechiël 37 hierover zegt. Vers 7 verhaalt van geruis: Het geroep van de Joden vanaf 1945 om terug te keren naar Palestina. Beweging: de Joden keren inderdaad terug naar Palestina. De beenderen voegen zich aaneen: De Joden uit de gehele wereld keren massaal terug naar Palestina en roepen in 1948 de staat Israël uit. Toegewezen door de UNO.
Vers 7 spieren, vlees en huid: Steeds meer Joden uit de gehele wereld gaan naar de staat Israël, maar een echt geloof in God is er niet. Het is erg liberaal, en in eigen kracht strijdt men tegen de vijanden, en zonder Gods hulp trachten de Joden vrede te sluiten, ja zelfs in ruil voor land. Dit klopt met vers 8, welke zegt dat de geest (Gods) er nog niet was in hen. Nog steeds denken de Joden in Israël zelf vrede te kunnen sluiten, en zonder erkenning dat God hun God is. Zij zien zich als het Joodse volk, maar vooral onder de jeugd en jongeren is er drugs misbruik, losbandigheid en geen aanbidding en erkenning van God. Voor hen leeft de Messias niet en is er geen besef van zonde. Gods Geest is nog niet in de Joden gekomen. Wat ook niet verwonderlijk is, omdat nu Gods Geest (de Heilige Geest) in de Gemeente van Christus woont.
Pas na de Wederkomst van Christus voor de Gemeente en de Gemeente van Jezus Christus is weggenomen van de aarde (1 Thess. 4:15-17), dan pas komt de Geest Gods over de Joden. Dus zeer BESLIST heeft God nog een plan en toekomst met het Joodse volk, ja zelfs grootser dan met de christenen. Immers de Joden zullen Gods macht tonen en het Koninkrijk Gods over de GEHELE aarde verkondigen.
Hierna begint de 1e helft van de Grote Verdrukking: 3 1/2 jaar (Openbaring 11:2) en begint met de 144.000 Joden (Openbaring 7:4).
Na deze 3 1/2 jaar worden de 2 getuigen gedood en staat het beest op in Openbaring 13 om gedurende de 2e helft van de Grote Verdrukking 3 1/2 jaar strijd te voeren tegen de 144.000 Joden die het Koninkrijk Gods op de gehele aarde verkondigen. De totale Grote Verdrukking duurt dus 3 1/2 + 3 1/2=7 jaar.
Aan het einde van de Grote Verdrukking trekken alle volken en natiën op tegen Israël en vindt de slag bij Harmagedon (Openb. 16:16) plaats en zal de Messias, Koning Jezus, de Joden te hulp komen en HIJ Zelf tegen de opgetrokken volken en natiën strijden (Openb. 19:11-16) en zal Zijn voeten plaatsen op de Olijfberg (Zacharia 14:2-4).

Laten we bidden voor het Joodse volk, en vooral de Joden in Israël, want hun staan nog 7 verschrikkelijk jaren van Grote Verdrukking te wachten.

Christenen en Israël

Welke relatie hebben de christenen met het Joodse volk ?

Een zeer nauwe relatie, namelijk een tweeledig fundament. In Mattheüs 1 vinden we het geslachtsregister van Jezus, en lezen we dat onze (geestelijke) vader is Abraham (Matt 3:9 Wij hebben Abraham tot vader)(Romeinen 4:9-25 maakt duidelijk dat Abraham de vader is van de heidenen, die tot geloof komen). De Here Jezus is geboren uit de Jodin Maria, dus onze moeder is een Jodin.

Wij hebben ons heil te danken aan het Joodse volk. Op het ogenblik zijn we, gelovigen, degenen die geënt zijn op de Joodse olijfboom (Romeinen 11:11-24). Enkele takken zijn weggebroken opdat heidenen tot geloof in de Here Jezus Christus zouden komen, maar de wortel blijft Joods. Een boom zonder wortel sterft. Ondanks hun verstoting (verwerping vers 15) blijven de Joden Gods volk en komen ook heden ten dagen tot geloof in de Here Jezus Christus.

Conclusie: De Christenen hebben hun heil te danken aan het Joodse volk, zij zijn onze "ouders"., met Maria als onze "moeder" en de Here Jezus Christus als "vader", beiden zijn Joods. De Bijbel zegt dat wij onze ouders dienen te eren, dus hebben wij als Christenen ook op te komen voor de Joden en de staat Israël.
Daarom is het onze plicht om voor het Joodse volk te bidden en voor deze verschrikkelijk tijd waar de Joden in de Grote Verdrukking door heen gaan.

Zijn de Joden verworpen ?

In Rom. 11:15 zegt de Bijbel dat de verwerpen door God, ons heil is geworden. Maar pas op, met verstoting en verwerping. Desondanks blijft het Gods volk!

God heeft Zich de afgelopen 1900 jaar (na de vernietiging van de tempel in Jeruzalem 70 na Christus) geconcentreerd op de heidenen. Toch zijn ook Joden gedurende deze periode tot geloof in Jezus Christus blijven komen. Dat is ook niet verwonderlijk, want niet alle takken waren afgebroken van de olijfboom (Rom. 11).

Nu leven wij in de eindtijd, de wederkomst van de Here Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 4:13-18) is nabij, ondanks dat wij de dag noch ure weten (Matteüs 24:36 en 25:13) weten, roept Jezus de gelovigen op om waakzaam te zijn. Uit de tekenen der tijd, kunnen de gelovigen weten dat de wederkomst van de Here Jezus Christus nabij is.

Waarom weten we dat we in de eindtijd leven ?

Ten eerste is er de staat Israël die weer bestaat

En in 1948 gesticht werd (vervulling van Ezechiël 37:7, 22). In 70 na Christus werd de tempel te Jeruzalem verwoest en werden de Joden over de gehele wereld verspreid , zij werden in de volkeren opgenomen (maar met het typische uiterlijke kenmerk van een Jood, worden zij nog steeds apart gezet), nu sinds 1948 begint God zijn volk, de Joden, weer terug te brengen naar het beloofde land, de staat Israël. In 2008 werd het 60-jarig bestaan van Israël gevierd. Dit is voorspeld in Ezechiël 37:21, 22a "Zo zegt de Here HERE: zie, Ik zal hen van alle kanten bijeen verzamelen en hen naar hun land (Israël) brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls."

Het is ook een vervulling van Ezechiël 37:5-14, vanaf 1948 komen vanaf alle werelddelen de Joden weer terug naar de staat Israël: de beenderen, de spieren zijn er al en de huid is aan het groeien (vers 5-8), maar de geest is er nog niet in hen. De Joden doen het nog steeds op eigen kracht, zonder bekering naar God (de Vader en de Messias). De Joden houden nog steeds vast aan de WET, ze denken nog steeds dat door het naleven van de WET de toegang tot de HERE God mogelijk is en anderen zien de HERE God als Liefde, Die niemand zal veroordelen. Er is nog steeds geen zonde besef. Ook ten tijde van Jezus' leven op aarde wilde het zonde besef niet tot stand komen. Daarom is het de taak van Christenen (om hun geestelijke ouders) het evangelie te brengen, hun te overtuigen van zonden en de Verlossing door het bloed van Verlossing en Verzoening te verkondigen, want de Here Jezus Christus heeft het volbracht. Het is de taak van christenen mee te werken aan verkondiging van het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.
Nu vierde de staat Israël haar 60-jarige bestaan in 2008. Na vele oorlogen probeert zij nu zelfstandig (zonder Gods hulp) vrede te sluiten met haar buurlanden. De Geest van God is nog niet aanwezig. Dat zal pas geschieden NA de wederkomst van Christus (1 Thess. 4) en de gemeente in de Hemel is opgenomen. Dan brengt de Grote Verdrukking aan (Openbaring 5 - 19) en zal de Here God weer volkomen door gaan met Zijn volk, de Joden, en zullen de Joden (de 144.000 uit Openbaring 7:4) het koninkrijk van God gaan verkondigen aan degenen die achtergebleven zijn op aarde (al degenen die Jezus Christus niet als hun persoonlijke Verlosser hebben aangenomen).

Ten tweede neemt de wetteloosheid toe, de satan wint meer en meer aan invloed:

De mens zoekt zijn toevlucht in losbandigheid, drugs, partnerruil, vrije seks, houseparty's, etc. De mens wordt steeds toleranter ten aanzien van de zonde: abortus, homoseksualiteit, huwelijken tussen homo's. De gelovige wordt sluw misleid door de yoga in de kerken, en het zoeken in magnetisme en acupunctuur voor genezing. De mens wordt weggetrokken van het christelijke geloof naar de Islam, Boeddhisme, allerlei sektes, occultisme.

Het moge duidelijk zijn dat we in de eindtijd leven. De Joden, die tot geloof in de Here Jezus Christus als hun persoonlijke Verlosser zijn gekomen, zullen met de gelovigen uit de heidenen bij de (eerste) wederkomst van de Here Jezus Christus meegaan naar de Hemel. Zij behoeven niet door die vreselijke Grote Verdrukking te gaan.

De Joden, die niet tot geloof in de Here Jezus Christus zijn gekomen, zullen achterblijven en een vreselijk tijd tegemoet gaan. Wee de Jood, wat zij zullen vervolgd worden door de Anti-Christ (1 Johannes 2:18-22) en zullen gemarteld worden, maar ook door de Here God beschermd worden en niet gedood worden opdat zij het koninkrijk van God zullen verkondigen en de Messias. Uiteindelijk zullen alle volken en natiën optrekken naar de staat Israël met het doel deze te vernietigen. Dan zal de Here Jezus Christus persoonlijk ten strijde trekken en zal (bij Zijn tweede wederkomst) Zijn voeten op de Olijfberg zetten en Zijn Volk en de staat Israël redden en definitieve vrede brengen in Israël.

Nu leven we gelovigen nog in de eindtijd, gezien de tekenen der tijd hebben we nog weinig tijd om het evangelie te verkondigen aan onze naasten, die nog ongelovig zijn, en aan het Joodse volk. Wij mogen onze rug niet afkeren van de Joden en de staat Israël. Ja, het is ONZE Christelijke plicht ons in te spannen voor het Joodse volk en achter de staat Israël te gaan staan. God gaat ondanks alles met Zijn (Joodse) volk door. Daarom mogen ook wij, Christenen, niet ophouden en dienen we op te komen voor Gods volk, de Joden en de Joodse staat Israël.

Waarom bidden voor Israël ?

Een paar historische voorbeelden van vervolgingen van Joden door de gelovigen:

1e t.o.v. de Messias belijdende Joden:

Aanvankelijk kwamen gelovigen (uit Joden en heidenen) op de vooravond van de opstandingsdag (zaterdagavond dus) of in de vroege ochtend (zondagmorgen) bij elkaar. In de 2e en 3e eeuw gingen er stemmen op om de zondag als vervanging van de sabbat te beschouwen. Het teken, dat het oude Israël was vervangen door het nieuwe geestelijke Israël, de gemeente. In 325 riep keizer Constantijn het Concilie van Nicea bijeen en werd de dag van de Heer Zon (Dominus Sol), de officiële rustdag. In 365 werd op het Concilie van Laodicea (de stad van de lauwe christenen) deze rustdag verplicht gesteld voor alle gelovigen en werd de banvloek uitgesproken over iedereen, die nog de sabbat zou onderhouden. Een ander breekpunt; de datum van het Pasen. Aanvankelijk vierde de kerk het Pasen op dezelfde dag als de Joden hun Pesach vierden, dus de dag, die God voor Israël had ingesteld. Op de 14e Nissan (Nissan=de maand dat de Israëlieten uit Egypte vertrokken) moesten de Joden in de avond het Paaslam slachten, als type van het PAASLAM (Jesus), die op dezelfde dag aan het kruis van Golgotha werd geslacht. Deze dag wordt in het evangelie de dag der Voorbereiding genoemd. Op de 15e Nissan begon dan het zevendaagse feest der ongezuurde broden. Maar het oude Israël had afgedaan en wilde men dus breken met alles, wat joods was. Er moest een dag volgens de eigen kalender komen, los van het joodse Pesach. Op hetzelfde Concilie van Nicea werd besloten, dat het Paasfeest voortaan gevierd moest worden op de zondag van het feest van Ishtar, de heidense godin van de vruchtbaarheid, op de kalender de 1e zondag na volle maan na de lentedag, 21 maart. In de Tenach komen wij deze naam tegen als Astarte, de godin van de vruchtbaarheid van de Feniciërs en heette zij bij de Babyloniers en Assyriërs "Ishtar".
Motivering: Het zou onwaardig zijn, dat wij bij dit heilige feest de zede zouden volgen van de Joden, die hun handen bezoedeld hebben met de afschuwelijkste misdaad en geestelijk blind zijn gebleven. In het vervolg willen wij niets meer gemeen hebben met het vijandelijke volk der Joden !!!
Op het Concilie van Antiochië in 341 maakte men bekend, dat ieder, die zich niet aan deze regeling hield geëxcommuniceerd zou worden. Dit als slechts twee voorbeelden, hoe men historisch gezien, de na-ijver, waarover Paulus spreekt, heeft toegepast in de kerkgeschiedenis en heeft men de gelovigen uit de joden hiermede feitelijk de kerk uitgejaagd. Maar men ontnam de jood niet alleen zijn sabbat, zijn Pesach, maar ook zijn Verbond met Abraham, wat een eeuwigdurend of beter gezegd een Verbond van de eeuwen was, dus een Verbond dat geldt voor alle 'eeuwen' of wel bedelingen met als zegen de belofte, dat God aan Abrahams zaad het ganse land Kanaän tot een altoosdurende bezitting zou geven. Bij de verbondsdoop zingt men: "Het Verbond met Abraham, Zijn vriend, bevestigt Hij van kind tot kind". Dit Verbond heeft te maken met het natuurlijke Zaad van Abraham en met het land Kanaän. Bij de zogenaamde verbondsdoop stapt men af van het natuurlijke zaad van Abraham, stelt daar het geestelijke zaad voor in de plaats en plaatst de gelovigen als geestelijk zaad onder dit Verbond. En was het hierbij nu maar gebleven, maar het teken van dit Verbond past men niet toe op dit geestelijk zaad van Abraham, maar doet hetzelfde als bij de sabbat, men keert terug naar de O.T. wortels en past de tekenen toe op hun kinderen. Degenen, die het zogenaamde teken van dit verbond ontvangen zijn nu niet het geestelijk zaad, maar het natuurlijk zaad van het geestelijk zaad van Abraham, een wat vreemde 'hink-stap-sprong' redenering. Men stelt wel, dat Paulus zegt, dat het Verbond in zijn tijd reeds verouderd en niet ver van de verdwijning was. Maar dan leest men weer eens niet goed zijn Bijbel, want daar gaat het over het Verbond der Wet, dat God met Israël op de Sinaï had gesloten en niet over het Verbond 'van de eeuwen' met Abraham. Wat men hierbij feitelijk doet, is dat men de Jood als het zaad van Abraham, de zegeningen van dit verbond ontneemt, dus ook de rechten op het land, dat God hen als een altoosdurende bezitting had beloofd en de zegeningen toepast op het nieuwe geestelijke zaad van Abraham. Het Verbond met het natuurlijk zaad zou dus hebben afgedaan !!??
Er is niets wat gelovige Joden zo vervreemd heeft van het evangelie als de theorie van het geestelijk Israël, waarbij men de zegeningen exclusief toepast op de gemeente. En de vloek eenzijdig voor Israël laat liggen en is de zogenaamde verbondsdoop niet anders dan een uitvloeisel van deze theorie.

2e t.o.v. de orthodoxe Joden:

Een paar citaten uit het bekende boek van Werner Keller, '...En zij werden verstrooid onder alle volken', wat zo'n tweeduizend jaar gruwelijke joden vervolging beschrijft en opgedragen is 'aan allen, die de waarheid nauw aan het hart ligt' (Als u sterke zenuwen heeft, kan ik U dit boek van harte aanbevelen). In 315 worden de Joden de 1e beperkingen opgelegd. Op straffe van dood door levend verbranden wordt hun verboden onder christenen aanhangers te verwerven 'Indien iemand zich bij hun goddeloze sekte aansluit of hun bijeenkomsten bijwoont zal hij zijn verdiende straf ondergaan'. De Joden krijgen in de Codex Theodosianus het stempel van 'verderfelijke sekte' en 'misdadige groepering'.
Vervolgden worden nu vervolgers. De bekende prediker Chrysostemos (de gouden mond) gebruikt zijn predicaties om de joden te belasteren: 'Wanneer iemand de synagogen een bordeel, een plaats van zonde, een toevluchtsoord des duivels, een burcht van satan, een verderf voor de ziel noemt, ...dan zegt hij nog steeds minder dan zij verdienen. Dat van een dergelijke taal uit de mond van een kerkelijke autoriteit het verbranden van synagogen (en hun leiders en bezoekers) niet ver weg was, spreekt vanzelf. De joodse geschiedschrijver Heinrich Graetz schrijft: 'De geloofsbelijdenissen van Jodenhaat (van de kerkvaders) heeft later koningen, gepeupel, staatslieden en monniken, kruisvaders en herders een wapen tegen de Joden in handen gegeven, om hun martelwerktuigen te laten uitvinden en brandstapels laten aanleggen'.
Dan komen de kruistochten: Onderweg naar het heilig land worden joodse synagogen verbrand, worden hele joodse gemeenschappen uitgeroeid, zij worden vermoord en verbrand (De eerste brandstapels waren niet gericht tegen gelovigen gedurende de reformatie, maar tegen joden). Op 15 juli 1099 wordt Jeruzalem na een beleg van 6 weken ingenomen en bestormen de 'franken' onder leiding van Godfried van Boullon de stad. Alle niet christelijke inwoners worden zonder onderscheid gedood. Ook het feit, dat deze moordenaars hun kledij met kruisen versierden en houten kruisen in de hand namen als zij weerloze burgers doden heeft een onuitwisbare indruk op de joden achtergelaten. Het kruis wordt sindsdien door de joden verafschuwd en heeft voor velen dezelfde betekenis als het hakenkruis der nazi's. In 1286 dook het ineens gerucht in Duitsland op, dat de joden hosties zouden stelen om deze uit haat tegen Christus te doorboren of in een vezel fijn te stampen. Dit leidde toen tot verschrikkelijke slachtingen onder de joden. In Wurtzburg bleven van de meer dan duizend joodse inwoners slechts enkelen in leven. 164 joodse gemeenten vielen ten offer aan gruwelijke bloedbaden, 20.000 werden gruwelijk vermoord. In deze tijd ontstaan de klaagliederen in de synagogen, die vol waren van rouw en verdriet en tot de huidige dag herinneren aan dit martelaarschap. Zij worden in de volgende eeuwen hevig vervolgd. Dan komt Luther, die tracht hen tot het christendom te bekeren. Als hem dat niet lukt, maakt zijn aanvankelijke welwillendheid plaats voor antipathie en haat. In 1538 verschijnt zijn brief 'Tegen de sabbatouders' en in 1543 publiceert hij zijn 'Van de Joden en hun leugens' en beschuldigt hen van rituele moord, vergiftiging van bronnen, toverij en hoogverraad tegen het rijk en concludeert hij: 'Wat moeten wij christenen nu doen met dit bedorven, verdoemde volk der joden'? En wat hij daarin schrijft, wordt door de nazi's later aangegrepen als een rechtvaardiging voor de slachting van 6 miljoen joden. Als je dit alles leest blijft voor mij de martelende vraag over: 'O God, wat hebben wij hen in de naam van Uw Zoon Jezus aangedaan'?

In 1478 verleent de Paus aan monniken toestemming om in Spanje een speciale Inquisitie op te richten. Joden moeten zich laten dopen en hun geloof afzweren. Wie weigerde zich te bekeren werd verbrand en wie kozen voor afzwering werden niet verbrand, maar verdronken.De Inquisitie liet een spoor van onnoemelijk leed na en dit alles 'in de naam van Christus'. Duizenden lieten hun leven op de brandstapels.
Men plaatste hen tenslotte in getto's, ommuurde stadsdelen, waar zij steeds weer bloot stonden aan discriminatie en vervolging. Zij hadden het onder de 'halve maan' beter dan onder het zogenaamde christelijke Europa. Dan komt in de jaren 30 'de holocaust', de 'definitieve oplossing voor het joodse vraagstuk'. De eerste geplande actie om het Joodse volk volledig uit te roeien, georganiseerd door het van oorsprong 'christelijke' Duitsland. De joden gebruiken hiervoor de betere benaming 'shoah', wat 'zinloze vernietiging' betekent en precies aangeeft, wat dit inhield, want het was niet alleen een officieel gedirigeerde vernietiging, maar het was ook zo zinloos.

Wij hebben ons als Nederlands volk echt niet te beroemen op onze houding, want het zijn slechts enkele christenen geweest, die hen hebben willen verbergen. Voor het overgrote deel hebben politie en de gezagsgetrouwe Nederlandse ambtenaren hieraan medegewerkt. En het ergste voor mij is wel, dat sommige reformatorische christenen dit hebben verklaard met: "Zij, de joden dus, hebben gezegd: 'Zijn bloed kome over ons en onze kinderen'".
En dit door hen, waar zondag op zondag 'de wet' wordt gelezen. God zegt in de 'Tien Geboden': Ik, JHW, uw God, ben een na-ijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan het derde en vierde geslacht degenen, die Mij haten en doe barmhartigheid aan duizenden van hen, die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden. Er is hier toch sprake van het 3e en 4e geslacht en is dit toch niet vervangen door het 30e of 40e geslacht en impliceert deze houding, dat alle Joden God dus zouden haten???

Het feit, dat het de Joden waren, die Jezus kruisigden heeft hen alle eeuwen door vervolgd. Zij werden verondersteld allen met zijn dood in te stemmen, hoewel de joodse leiders Hem in de nacht gevangen namen uit angst voor opstand onder het volk. De Joden werden verondersteld allen Christus te haten, hoewel velen door de eeuwen heen nooit iets van Zijn bestaan wisten, laat staan, dat zij Hem haten.
Het was de President van Israël, Pilatus, de HEIDEN, die Jesus veroordeelde tot de dood van het Kruis. Hij ALLEEN had de macht om Jezus te kruisigen. Zelfs gewaarschuwd door zijn vrouw, om Jezus niet kruisigen, was hij zo'n lafaard en angstig voor een opstand, dat hij de opdracht gaf om de Here Jezus Christus te kruisigen. Niet aan de Jood de schuld, maar de heidense Pilatus, en met hem, wij heidenen.
Bovendien, het feit dat het de wil van God was dat Jezus aan het Kruis stierf. Door zijn dood, wordt de straf voor de zonde genomen aan de gelovige. Iedere gelovige is dus schuld de dood van het Kruis van onze Heer Jezus Christus. Elke gelovige, en niet de schuld van het Joodse volk. Zonder de dood van het Kruis van Jezus, was ook geen verzoening mogelijk tussen de gelovige en met God de Vader!

Toen ik in Jeruzalem het Holocaust museum bezocht, ging onze Joodse reisleider niet mee en wees ons slechts de plaats waar het museum was. Waarom? Hij was een overlevende van het Auschwitz kamp en had de afschuwelijk experimenten van de nazi's gedurende jaren overleefd. Vroeger bracht hij de mensen naar het Holocaust museum, maar hij kon het niet meer opbrengen, omdat 'christenen" zeiden dat de dood van de zes miljoen joden in de tweede wereldoorlog een straf was voor de moord op Jezus en de joden hadden gezegd dat het bloed van Jezus over hen zou komen. Voor mij zijn dit soort mensen GEEN christenen ! Deze mensen hebben geen enkel schuldbesef (besef van zonde). Zoals ik reeds eerder schreef God bezoekt niet aan het 30e of 40e geslacht en het was de laffe heiden Pilatus die opdracht gaf om Jezus te kruisigen.En niet van een groep joden. De kruisvaarders vermoorden de Joden, een kleine groep en daarom zou eeuwen later de gehele Nederlandse bevolking schuldig zijn? Je mag een kleine groep joden opgehitst door de Joodse leiders, niet als gehele bevolkingsgroep verantwoordelijk stellen. Dit soort mensen die zulke uitspraken doen, zijn geen christenen. Zij hebben geen ENKEL besef voor het werk van Jezus aan het kruis. Het is Zijn bloed, die vergeving brengt voor hun zonde !
Maar laten wij goed bedenken, Jezus stierf aan het kruis voor mijn en jouw zonde. Conclusie: Ik en elke individuele gelovige (=christen) heeft Jezus aan het kruis genageld. Het is de schuld van onze zonde dat Jezus aan het kruis is gestorven.

Ik wil besluiten met enkele verzen uit de Tenach en moge dit ons tot nadenken stemmen:
Jeremia 30:11 Ik zal met alle volken, waaronder Ik U verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met U zal Ik niet voorgoed afrekenen, doch naar recht zal ik u tuchtigen, al zal Ik u zeker niet vrijuit laten gaan.
Obadja 13, 15: Kom niet in de poort van mijn volk ten dage van hun ongeluk; gij, ziet niet met leedvermaak zijn onheil en strek uw hand niet uit naar zijn have ten dage van zijn ongeluk... en lever zijn ontkomenen niet over ten dage der benauwdheid. Want...zoals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden, uw daad zal op uw eigen hoofd terugvallen.
Er is voor Joden en heidenen slechts één weg tot behoud, die loopt via het kruis van Christus, maar wij hebben deze weg voor hen verduisterd en hebben dit kruis tot een symbool van haat, vervolging, moord en vernietiging gemaakt. Daarom komen wij maandelijks bij elkaar, of God dit door ons verduisterd kruis voor Israël mag maken tot een symbool van redding en hoop en te belijden, dat wij hierin bitter hebben gefaald.

Ons gebed mag hier zijn: HEER, WIJ MOETEN ERKENNEN, DAT WIJ DE JODEN NIET ALLEEN HEBBEN VEROORDEELD, MAAR HEN DAARBIJ NOG HEBBEN VERVOLGD EN GEDOOD. WIJ HEBBEN HIERIN NIET ALS VOLGELINGEN VAN Jezus GEHANDELD. WIJ ZIJN ONGEHOORZAAM GEWEEST AAN UW WOORD, DAT LUIDT: "WIE ZEGT IN HET LICHT TE ZIJN, MAAR ZIJN BROEDER HAAT, IS IN DUISTERNIS TOT NU TOE". WIJ HEBBEN HET KRUIS VAN REDDING TOT EEN SYMBOOL VAN HAAT EN DOOD GEMAAKT EN VEROOTMOEDIGEN ONS IN INTENS BEROUW EN VRAGEN U VERGEVING, OM DE WIL VAN JEZUS TE DOEN, DIE AAN HET KRUIS DAARVOOR ZIJN LEVEN HEEFT GEGEVEN.

ROMEINEN 9:1-29 ISRAËLS VERKIEZING EN VERWERPING

INLEIDING:

De hoofdstukken 9, 10 en 11 vormen één lange tussenzin in Paulus' betoog in de Romeinen brief. Deze hoofdstukken handelen over Gods wegen met Zijn uitverkoren volk Israël. In het O.T. had God herhaaldelijk beloofd, dat Hij Zijn volk zou zegenen boven andere volken. God had Abraham gerechtvaardigd door het geloof en deze weg van rechtvaardiging door het geloof lag toch open voor ieder, die net als Abraham, in God geloofde. Hoe kwam het dan, dat juist Abrahams nageslacht weigerde het evangelie te aanvaarden? Was het geen paradox, dat juist de natie, die zo veel voorrechten en zegeningen had ontvangen, de Messias niet erkende, toen Hij op aarde kwam, Hem zelfs had verworpen en de heidenen, die eertijds vervreemd waren van het evangelie, deze boodschap van genade juist wel aanvaardden? Hoe zijn Gods keuze van Israël en Zijn belofte om de wereld door Israël te zegenen te rijmen met Israëls verwerping van het evangelie? Heeft God Zijn volk verstoten en is Hij Zijn beloften aan Israël ontrouw geworden? In deze drie hoofdstukken worstelt Paulus met dit probleem, wat voor hem een grote persoonlijke zorg betekende. Wij zullen leren, dat God Israël tijdelijk terzijde heeft gesteld en nu een nieuw volk bijeen vergadert uit Joden en heidenen tezamen: Zijn gemeente. God is nu bezig Zich een volk voor Zijn naam uit de heidenen te vergaderen (Hand. 15:14-18). De verwerping van Israël is echter tijdelijk. Na de opname der gemeente keert God terug tot Zijn aardse volk Israël om hen dan te gebruiken als kanaal van Zijn zegen voor de overblijvende heidenen.
Vs. 1-3: In deze verzen verklaart Paulus zijn grote liefde voor zijn eigen volk, hij had een grote smart en een voortdurend hartzeer, omdat zijn broeders naar het vlees, ondanks hun vele voorrechten de boodschap van verlossing niet konden of wilden verstaan.
Vs. 4-5: Na zijn hart te hebben blootgelegd, onderbouwt Paulus nu met duidelijke argumenten, waarom zijn broeders naar het vlees eigenlijk niet los te denken zijn van de zaligheid in de Here Jezus en noemt Paulus acht voorrechten, die zij als Gods volk hadden genoten:

  1. De aanneming tot zonen. Exodus 4:22, Israël deelde als volk in de rechten van het zoonschap van God.
  2. De heerlijkheid, de shekhinah heerlijkheid van God in de tabernakel van Mozes, de tempel van Salomo en zijn aanwezigheid in de wolkkolom. God woonde onder hen.
  3. De verbonden. VRAAG: WELKE VERBONDEN HEEFT GOD MET ISRAËL GESLOTEN?
    1e Het verbond met Abraham met als teken de besnijdenis,
    2e het Sinaïtische verbond, (Ex.19-30),
    3e het post-diaspora verbond (Deut.30:1-9),
    4e het verbond met David (2 Sam.7:5-29) en
    5e het nieuwe verbond (Jeremia 31:31-34 en Hebr. 8:7-13).
  4. De wetgeving. VRAAG: DUS AAN WIE HEEFT GOD DE WETGEVING GEGEVEN?
    Israël had als enig land van God een geschreven wet ontvangen, de Thora zijn de woorden Gods aan hun toevertrouwd, (Rom. 3:2).
    N.B. Er staat nergens in de Bijbel, dat de Wet aan de gemeente is gegeven. Dat de wet, beter gezegd de 'Tien Geboden' in bepaalde kerken toch wordt voorgelezen en dus aan de gemeente de wet wordt opgelegd, heeft te maken met het feit, dat men de kerk als 'het geestelijke Israël' beschouwd, maar is Bijbels gezien onjuist. Let op: De wet is de Tora, alle voorschriften in de eerste vijf Bijbelboeken. De Wet is dus heel wat meer dan slechts de tien geboden.
    De 10 geboden laat de christen duidelijk zien dat men een zondaar is en vergeving door het bloed van de Here Jezus Christus nodig heeft. De christen kan met vallen en opslaan door de kracht en werking van de Heilige Geest dan alleen de 10 geboden houden.
  5. De eredienst, de dienst in de tabernakel en de tempeldienst. Deze dienst zal in heerlijker vorm worden hersteld in het komende vrederijk, wat uitvoerig in Ezechiël wordt beschreven.
  6. De beloften. Gods beloften betreffende de verlossing zijn inbegrepen in het Verbond met Abraham. De beloften betreffende het Messiaanse koninkrijk zijn inbegrepen in het verbond met David. Beloften, die dikwijls ten onrechte tot christelijk erfgoed zijn geannexeerd. Het evangelie, dat gepredikt wordt, is geen belofte, maar een proclamatie van heil waarin geloofd moet worden. Is trouwens geen boodschap aan de volkeren, maar aan personen uit de volken. Israël is als natie de drager van ontelbare beloften Gods.
  7. De vaderen, Abraham, Izak en Jacob. Verder al de grote mannen Gods, Mozes, Jozua, Samuël, David en al de profeten, tot wie God heeft gesproken en beloften van herstel heeft gegeven.
  8. Uit hen is de Christus. Jezus Christus was het beloofde 'zaad van Abraham' en is 'de zoon van David'. Hij was een Jood, daarom is de zaligheid uit de Joden en Hij zal eens weerkomen als de koning der Joden.

Vers 6: Op het 1e gezicht zou de conclusie gerechtvaardigd zijn, dat Gods heilplan met Israël door hun verwerping van de Messias geblokkeerd is en de beloften aan Abraham onvervuld moeten blijven. Dit kan niet, zegt Paulus, want het is niet mogelijk, dat het Woord Gods zou vervallen zijn. Dit is dus uitgesloten.
Nu moeten wij wel onderscheid maken tussen:
1e Gods Woord in de betekenis van Zijn eeuwige raadsbesluiten, welke vast staan.
De beloften, aan Abraham waren onvoorwaardelijke beloften, raadsbesluiten Gods, welke niet verbroken kunnen worden. Joh.10:35 de Schrift kan niet gebroken worden.
2e Gods Woord in de betekenis van Zijn heilsboodschap aan de individuele mens, die alleen langs de weg van geloof en bekering verkregen kan worden. Wij lezen in Heb 4:2, dat het evangelie, dat aan Israël was gepredikt, hun niet van nut was, omdat het niet met geloof gepaard ging.
Enerzijds is het dus onmogelijk, dat het Woord Gods in de zin van Zijn eeuwige raadsbesluiten opgeheven kan worden, maar anderzijds is het wel mogelijk, dat het Woord door ongeloof in het leven van de individuele mens krachteloos kan worden gemaakt.
Dit onderscheid maakt Paulus duidelijk in het volgende deel van de tekst niet allen, die van Israël afstammen zijn Israël.

Vs. 7-12: Hoewel Gods beloften aan Abraham en zijn nageslacht vast staan, kan slechts een bepaald deel van dat nageslacht als kinderen der belofte worden beschouwd. Vers 8 alleen de kinderen der belofte gelden voor nageslacht.

VRAAG: WIE ZIJN DE KINDEREN DER BELOFTE?
De eerste voorwaarde is, deel te hebben aan het verkiezend voornemen van God, wat tot uiting kwam in de verkiezing van Isaak boven Ismaël, vers 7: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken.
Vers 11: Op grond van ditzelfde verkiezend voornemen verkoos God, nog voor de kinderen geboren waren, Jacob als drager van Zijn beloften aan Abraham, in plaats van Ezau. Jacob en Ezau waren tweelingen, waarvan Ezau de oudste was. Toch heeft God Ezau, de oudste verworpen en de jongste, Jacob uitverkoren.
Dit heeft niets te doen met hun persoonlijke zaligheid, zoals soms wordt gesuggereerd, maar met de lijn van voortzetting van Gods beloften aan Abraham. De twee voorwaarde is geloof: Ismaël was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije, namelijk Sara door de belofte. Gal.4:23 Isaak werd door het geloof van Sara voortgebracht (Heb.11:9-11). Alleen Isaak en Jacob waren mede-erfgenamen der belofte en deze gelden dus als nageslacht.
De voorwaarde van geloof wordt uitvoerig belicht in Galaten 3, waar Paulus in vers 16 schrijft, dat aan Abraham en zijn zaad geloften werden gedaan, in het enkelvoud d.w.z. aan Christus. Christus is dus de feitelijke drager van de beloften aan Abraham en aan wie gelden verder deze beloften?
Galaten 3:7 en 9: zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn, die uit het geloof zijn worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham. Dus alleen diegenen, die tot geloof in de Here Jezus zijn gekomen, zijn wettige erfgenamen der belofte geworden.

Vers 12 De oudste zal de jongste dienstbaar zijn.
VRAAG: IN WELK OPZICHT IS EZAU JACOB DIENSTBAAR GEWEEST?
Helaas is ook dit vaak verkeerd geïnterpreteerd. Deze profetie slaat niet op de individuen Jacob en Ezau, want Ezau is Jacob nooit dienstbaar geweest, maar op hun nageslacht, Israël en Edom en heeft betrekking op de lange periode, waarin de Edomieten, aan Israël dienstbaar zijn geweest.
Vers 13 Jacob heb ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat. Een tekst, die heel wat in beroering heeft gebracht. VRAAG: Betekent dit, dat God Jacob tot eeuwig heil en Ezau tot eeuwig verderf heeft voorbeschikt?
Allereerst wat houdt dit 'haten' in? Dezelfde betekenis vinden wij ook in Lucas 14:26, waar de Here Jezus zegt: "Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn vader, moeder, vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn". Dit is geen oproep om ouders, vrouw, kinderen etc. te haten, want dit zou haaks staan op het vijfde gebod om vader en moeder te eren. Maar maken zij ons de trouw aan Christus onmogelijk, dan moeten zij wijken voor Hem en zelfs de liefde voor eigen leven moet wijken voor de liefde tot Christus. Het betekent dus geen haten in absolute zin, maar een 'achterstellen bij'. Het gaat er in deze tekst om, dat de liefde tot Christus voorrang moet hebben in ons leven en zelfs indien de omstandigheden dit zouden vragen, de liefde tot ouders etc. daarvoor zou moeten wijken. Zo heeft God ook de voorrang gegeven aan Jacob om Zijn beloften te verwezenlijken en is Ezau naar Gods verkiezing bij Jacob ten achtergesteld. Deze tekst is een aanhaling uit Mal.1:2. Uit de context blijkt, dat het ook hier niet om de personen Jacob en Ezau gaat, maar om de volken, die uit hen zouden voortkomen, namelijk Israël en Edom. Israël was Gods uitverkoren natie en Edom had zich de toorn van God op de hals gehaald, wegens hun verre van broederlijk gedrag ten tijde van rampspoed voor Israël.
Vergelijk vers 4 met Psalm 137:7. Verder o.a. Jeremia 49:7-22, Ezech. 25:12-14, Ezech. 35:1-15. Als er in Maleachi staat, dat God Ezau heeft gehaat, dus bij Jacob ten achter heeft gesteld, betekent dit dus niet, dat God Ezau tot eeuwig verderf had voorbeschikt, maar dat Gods toorn Edom zou treffen, omdat het wraakzuchtig had gehandeld tegen haar broedervolk Juda en heeft niets met 'uitverkiezing' te maken.

Vs. 14-19: Zou er onrechtvaardigheid bij God zijn? Volstrekt niet. Paulus toont dit aan met enkele gebeurtenissen uit Israëls geschiedenis.
Vers 15 is een aanhaling uit Exodus 33:19. Toen de Israëlieten het gouden kalf hadden gemaakt, had God hen rechtvaardig kunnen veroordelen, maar op voorspraak van Mozes wil God met hen handelen op basis van genade. Op het persoonlijk verzoek van Mozes om Gods heerlijkheid te mogen zien, zegt God: "Over wie ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn". Men kan in deze handelswijze van God geen onrechtvaardigheid vinden, want Israël had alle rechten verspeeld. Maar in Zijn soevereiniteit openbaarde God Zijn genade om althans een deel van Zijn volk te kunnen sparen. Er is hier echter geen sprake van goddelijke willekeur, want God betoonde Israël Zijn barmhartigheid, na voorspraak en tussenkomst van Mozes, die hierin een type van de Here Jezus is.
Vers 16: Genade komt dus niet op grond van menselijke wil of verdienste, maar van God, die Zich ontfermt.
Vs. 17,18: God ontfermt Zich niet alleen over wie Hij wil, maar in de persoon van Farao toont God Zijn macht, om te verharden, wie Hij wil. Wij moeten hieruit niet concluderen, dat God willekeurig Farao's hart verhardde. Farao had God gelasterd en uitgedaagd en gezegd; Exodus 5:2 Wie is de Here, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Exodus 6:14; De Here zeide tot Mozes: Het hart van Farao is onvermurwbaar: hij weigert Israël te laten gaan. En Exodus 8:15, 32; 9:35 laten zien, dat Farao (eerst) zijn eigen hart verhardde. God is niet de auteur van het kwaad of inspireert hij de mensen om te zondigen om hen daarvoor later te veroordelen. Wel gebruikt hij de goddelozen, zoals in geval van Farao om Zijn macht te tonen, Zijn wil te doen en Zijn plan ten uitvoer te brengen. Toen echter duidelijk bleek, dat Farao geen acht sloeg op de waarschuwingen en bleek, dat hij niet anders wilde, liet God hem in de toestand, waarin hij zichzelf had gebracht.

VRAAG: WAT LEERT DE GESCHIEDENIS VAN FARAO ONS m.b.t. GODS GEDULD?

Uit deze geschiedenis blijkt duidelijk, dat er bij God een grens is, wij kunnen ons verharden en tegen God blijven verzetten, maar dan komt er een moment dat God de mens in deze verharde toestand laat. Na zeven plagen is de maat vol en zegt God tot Mozes, Exodus 10:1 Ga tot Farao, want Ik heb zijn hart en dat van zijn dienaren onvermurwbaar gemaakt. Dan gebruikt God Farao als een instrument om Zijn Naam en macht bekend te maken onder de heidenen en om Israël te tonen, dat Hij hun God was. God ontfermde Zich dus over Israël, zoals Hij wilde en verhardde Farao, zoals Hij wilde. De gelovige wordt door God gebruikt om de overweldige rijkdom van Zijn genade te tonen en de verharde mens wordt door God gebruikt om Zijn macht te tonen, als de mens, zoals Farao volhardt in zijn verharding.
Vs. 19-23: God tegenspreken is één van de hardnekkigste eigenschappen van de mens, die God naar zijn eigen beperkte verstand wil beoordelen en het liefst God ter verantwoording zou willen roepen.
Vers 19 is een vraagstelling, waarachter een fatalistisch godsbeeld schuilgaat, alsof Gods handelen buiten de menselijk wil omgaat. Dat Gods handelen niet buiten de menselijk wil omgaat, bewijst de zojuist geciteerde geschiedenis van Farao, immers had God Farao's hardnekkigheid niet met veel lankmoedigheid verdragen?
Als Paulus in de volgende verzen het voorbeeld van het leem en de pottenbakker gebruikt is dat niet om de indruk te wekken, dat wij dood materiaal in Gods hand zijn, maar om ons erop te wijzen, dat niet de pottenbakker het leem, maar dat het leem de Pottenbakker verantwoording verschuldigd is.
Het beeld van de pottenbakker wordt duidelijk, als wij dat lezen in Jeremia 18:3-4: Toen daalde ik af naar het huis van de pottenbakker, en zie, hij was juist bezig een werkstuk te maken op de schijf. Mislukte de pot, die hij bezig was te maken, zoals dat gaat met leem in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het de pottenbakker goed dacht te maken.
Volgens Jesaja 64:8 wij zijn het leem, is God onze Formeerder en zijn wij het werk van Zijn hand.
De Statenvertaling gebruikt i.p.v. mislukte 'verdorven' en dat is feitelijk onze situatie. God had de mens goed geschapen, geformeerd, niet ten gevolge van mislukt werk van de Pottenbakker, maar ten gevolge van de zonde is Gods werk 'verdorven'. Dit 'mislukte' of beter gezegd 'verdorven' materiaal wordt niet weggegooid, neen, de Pottenbakker vermaakt het, opdat Hij er alsnog, zij het dan als voorwerpen des toorns door verheerlijkt wordt. In tegenstelling tot deze voorwerpen des toorns worden de voorwerpen van ontferming door de Pottenbakker voorbereid tot heerlijkheid.

Nu moeten wij heel goed lezen, wat er staat, want Paulus is op dit punt buitengewoon nauwkeurig.

VRAAG: WELK BELANGRIJK VERSCHIL IN BENADERING IS ER TUSSEN DE BEIDE VOORWERPEN?

Wat staat er in de vs. 22 en 23? De voorwerpen des toorns waren door God ten verderve toebereid, maar de voorwerpen van ontferming heeft Hij tot heerlijkheid voorbereid. Er wordt, noch hier, noch ergens anders in de Schrift geleerd, dat God mensen uitkiest tot verdoemenis. Mensen worden door God nooit voorbereid of voorbeschikt tot voorwerpen des toorns. Wat is Gods Woord toch geweldig nauwkeurig, als wij dit goed willen lezen.
Hetzelfde woord 'toebereiden' vinden wij ook in Marcus 1:19 en Matth.4:21, waar Johannes en Jacobus hun netten in orde brengen. Het betekent dus in gereedmaken of herstellen wat stuk was gemaakt.
God heeft al die 'voorwerpen des toorns' dus nooit daartoe voorbereid. Hij heeft zij met veel lankmoedigheid verdragen en daarna ten verderve 'toebereid' om Zijn heerlijkheid bekend te maken over die voorwerpen van ontferming, die Hij daartoe wel had voorbereid.
Vers 24: En die voorwerpen zijn wij, zegt Paulus, "die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de joden, maar ook uit de heidenen" en illustreert hij dat met de geschiedenis van Hosea.
Hosea was niet de vader van "zijn" kinderen, die zijn vrouw gebaard had, wat tot uitdrukking komt in hun namen: Lo-Ruchama betekent 'niet geliefde', 'niet het voorwerp van mijn genegenheid' en Lo-Ammi 'niet mijn volk'. Deze namen drukken Gods houding uit tegenover het ongehoorzame Israël. Maar God keek heen naar de dag, dat het woord 'niet' uit hun namen verwijderd zouden worden. Hosea profeteert hier in de eerste plaats over het toekomstig herstel van Israël, als 'Lo-Ammi' (niet mijn volk), 'Ammi' (mijn volk) wordt.
Paulus voegt hier echter onder leiding van de Heilige Geest een nieuwe dimensie aan toe en krijgt deze profetie een dubbele vervulling. In het huis van de Pottenbakker bevindt zich nu zowel 'joods' als 'heidens' leem en krijgen beiden door het geloof toegang tot het heil, worden de 'niet geliefden' tot 'geliefden', ja zelfs worden zij (vers 26) zonen van de levende God genoemd.
Nadat Paulus uit Hosea heeft aangetoond, dat de toelating der heidenen reeds was voorzegd, laat hij nu uit de profeet Jesaja zien, dat niet geheel Israël, maar een 'rest' behouden zal worden. Jesaja 10:20-23 leert ons het volgende:
Het is slechts een rest, een overblijfsel van het huis van Israël en Jacob, dat zal ontkomen.
Zij zullen niet langer steunen op hem, die ze sloeg, dus het niet langer van bondgenoten verwachten.
Zij zullen dan in waarheid steunen op de Here, hun verlossing zal niet het gevolg zijn van diplomatieke onderhandelingen, zoals nu nog steeds het geval is, maar van goddelijk ingrijpen. Dit overblijfsel zal zich bekeren, letterlijk terugkeren tot 'El Gibbor', de sterke God. Dan zal God hun sterkte zijn, die hun zal verlossen.
Deze profetie was al gedeeltelijk vervuld in de oproep van koning Hizkia, zoals wij in Kronieken 30:6 kunnen lezen, maar zal straks in het toekomstig herstel van Israël volledig worden vervuld.
Dit zal geheel Gods werk zijn zegt Paulus in vers 10:29 Indien de Here Sebaot ons geen zaad had overgelaten, zouden wij als Sodom zijn geworden en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn.

Waarom God dit doet leert ons 11:5, "uit verkiezing der genade zal God Zichzelf een rest uit Israël doen overblijven", waar Zijn Naam in Zijn handelen met Israël zal worden verheerlijkt.

Paulus kende, zoals in begin van dit hoofdstuk vermeld, hartzeer en had pijn terwille van zijn broeders in het vlees en zijn gebed tot God ging naar hen uit.