Bijbeltekst van de dag (EZBB)
Genesis 26:13-25

Ondanks Isaaks bedrog, overlaadde God hem met Zijn zegeningen. Om redenen die we later zullen bespreken, zag Abimelech Isaaks voorspoed niet als een zegen van God. Hij wist alleen dat Isaak een machtig figuur was – iemand met wie hij geen conflict wilde. Abimelech wist ook dat de Filistijnen onrustig werden door Isaaks aanwezigheid in het land.
Alle putten die de dienaren van zijn vader in de tijd van Abraham, zijn vader, hadden gegraven, waren door de Filistijnen dichtgegooid en met aarde gevuld (Genesis 26:15).
De gevoelens van de Filistijnen werden treffend verwoord in Abimelechs korte suggestie dat Isaak Gerar zou verlaten (vers 16). In plaats van te vechten voor het bezit van dat land, trok Isaak zich terug. De zachtmoedigen zouden dat land erven, maar op Gods perfecte tijd.
Het lijkt erop dat Isaak een strategie ontwikkelde om te bepalen waar hij zich zou vestigen. In wezen weigerde Isaak te blijven waar conflict en vijandigheid heerste.
In de verzen 23-25 gebeurt iets heel bijzonders. Tot dan toe was Isaaks beslissing over waar te blijven gebaseerd op de overvloed aan water en de afwezigheid van vijandelijkheden. Maar nu hij een put had gegraven die niet werd betwist, zouden we verwachten dat Isaak daar zou blijven. In plaats daarvan lezen we dat hij naar Beerseba trok, zonder duidelijke reden voor deze verandering: "En hij trok vandaar op naar Berseba" (vers 23).
Isaak wist dat God hem het land had beloofd dat aan zijn vader Abraham was beloofd (26:3-5). Eindelijk begreep hij dat God hem, ondanks alle tegenstand met betrekking tot de putten die hij had gegraven, terugleidde naar het beloofde land, terug naar de plaatsen waar Abraham in gemeenschap met God had gewandeld. Mogelijk dat Isaak naar Beerseba ging omdat hij op een geestelijk niveau voelde dat God hem daar wilde hebben. Als God hem voorheen door tegenstand heen "leidde", was Isaak nu bereid zich te laten leiden. Hier is een belangrijke les over geloof en leiding. De plaats van Gods volk is de plaats van Gods aanwezigheid. De plaats van intimiteit, aanbidding en gemeenschap met God is waar we zouden moeten blijven.
|