Bijbeltekst van de dag (EZBB)
Genesis 6:1-2

De interpretatie van Genesis 6:1-4 is moeilijk en controversieel. Het debat draait om de interpretatie van de uitdrukking "zonen van God". Wie zijn zij? De cruciale vraag is of de uitdrukking verwijst naar mensen of naar geestelijke wezens (demonen).
Optie 1: Zonen van God = Zonen van Seth
Een interpretatie is dat de "zonen van God" afstammelingen van Seth zouden zijn. Volgens deze interpretatie waren de vrome afstammelingen van Seth verblind door de schoonheid van de vrouwen die afstamden van Kaïn, en trouwden ze vervolgens met vrouwen die God verwierpen, wat leidde tot grotere goddeloosheid.
Het sterkste bewijs voor dit standpunt is te vinden in Genesis 4-5, dat twee geslachtslijnen van Adam beschrijft: een van Kaïn en de andere van Seth. Het Oude Testament verwijst soms naar Gods verbondsvolk als zonen van God (Deuteronomium 14:1, Jeremia 3:19), hoewel de exacte uitdrukking "zonen van God" niet in verband met hen wordt gebruikt. Als deze opvatting correct is, zou het kunnen verklaren waarom God de Israëlieten later verbood met Kanaänitische vrouwen te trouwen (Exodus 34:16, Deuteronomium 7:3).
Optie 2: Zonen van God = Gevallen Engelen
De oudste, en waarschijnlijk meest gangbare, interpretatie is dat de "zonen van God" gevallen engelen (demonen) zijn. Dit was de meest gangbare interpretatie in het oude Jodendom en de vroege kerk (vgl. 1 Petrus 3:19-20; 2 Petrus 2:4; Judas 6). De uitdrukking "zonen van God" wordt elders duidelijk gebruikt met betrekking tot de engelen in Gods hemelse hof (vgl. Job 1:6; 2:1; 38:7). Bovendien lijkt de verteller in Genesis 6:1-2 een contrast te schetsen tussen "de mens" en "de dochters van de mens" en de "zonen van God".
Welke interpretatie ook juist is, de kern van de zaak is duidelijk: de mensheid verviel steeds dieper in zonde en dreef steeds verder van God af.
|